| « Mogelijke route-indeling | De Coquille » |
In de Middeleeuwen trok de pelgrim op de eerste plaats uit devotie voor Sint Jacob.
Het geloof van de middeleeuwse mens was als uit steen gehouwen, uit een stuk, samenhangend, homogeen, onveranderlijk. Hemel en hel lagen dichtbij. Het leven was een pelgrimage: boetetocht en opgang naar de hemel tegelijk. In de onzekerheid van de wereld was het geloof de enige zekerheid. Maar dan wel een zekerheid tussen hoop en vrees, vol duivels en heksen, weerwolven en monsters zoals Jeroen Bosch die heeft geschilderd. In dit geloof klampte men zich vast aan tastbare bewijzen: aan relieken en relikwieën, bewijsmateriaal om zichzelf te overtuigen. Het waarnemen met de zintuigen moest steeds opnieuw bevestigd en aangevuld worden: een dwangmatigheid die leidt tot ongedurigheid. Men vertrok uit onrust, maar had in den vreemde heimwee naar huis. Maar ook meer aardse motieven moeten genoopt hebben tot het aangaan van het grootse avontuur. Boerenzonen, gedreven door honger en horigheid; monniken, ontvluchtend aan orde en regelmaat; schuldenaars die geen andere uitweg meer zagen. Ook ging men vaak de tocht aan ter inlossing van een gelofte. Of als boetedoening, vrijwillig of opgelegd door biechtvader of burgerlijk rechter, wanneer men een misdrijf had begaan. Men moest dan onderweg bidden voor het zielenheil van zijn slachtoffer en van zichzelf. Bovendien was de gemeenschap zo voor een tijdje verlost van een lastpak en misschien kwam hij wel niet meer weerom...
Pilger sind wir alle, doch jeder wählt wohin er fährt...