| « Wandelen | Vrede maken » |
De figuur rond wie het pelgrimsgebeuren op de Camino draait is Jacobus de meerdere, broer van Johannes en een van de twaalf apostelen. Uit ‘de Handelingen van de apostelen’ is bekend dat hij omstreeks het jaar 44 de marteldood stierf in Jeruzalem. Hij was de zoon van Maria Salomé en Zebedeus. Niet te controleren berichten vertellen dat hij in Spanje het evangelie verkondigde. Eveneens raadselachtig is de ontdekking van zijn graf (ca. 813) in Galicië in het noordwesten van Spanje. Er bestaan verschillende versies van de legende.
In de ene versie verschijnt er een engel aan de kluizenaar Pelagius die hem vertelt dat Jacobus in een bos in de buurt begraven ligt. Een andere versie vertelt dat het lijk van de apostel op mysterieuze wijze in een bootje aan de kust aanspoelde. In 951 gaat Godescale, bisschop van Le Puy op bedevaart naar Compostela, maar de pelgrimage zal pas in de 11e tot de 13e eeuw massale vormen gaan aannemen.
Aan het begin van de 12e eeuw verschijnt de Codex Calixtinus, van Aimery Picaud met als beschermheer Paus Calixtus (1119 tot 1124), een naslagwerk bestaande uit vijf boekdelen met opdrachten, praktische gegevens, raadgevingen en waarschuwingen (voor rovers en vrouwen van lichte zeden...) voor de pelgrims.