| « Finistera | Pilgrim » |
De Keltische mythologie is ontstaan als een natuurgodsdienst. Goden werden eerst als dieren gezien, en dieren als goden, want goden konden zich veranderen in dieren. Zij moesten vooral gunstig gestemd worden met offers, soms ook mensenoffers. Toen de Keltische leider Brennus in de 3e eeuw v.Chr. door Griekenland trok en volgens een legende het Orakel van Delphi plunderde, moest hij erg lachen om het feit dat de Grieken zich de goden als mensen voorstelden. Diodorus Siculus schreef dat hij in ieder geval een aantal stenen en houten beelden van goden in Delphi had bespot om die reden. Strabo meldt dat de Kelten er een ingewikkelde godsdienst op na hielden.
Zij geloofden in een instant hiernamaals. Wie stierf werd onmiddellijk herboren, los van goede of kwade daden. Er was slechts een vage scheidingslijn tussen deze wereld en die aan de andere zijde van dit leven. Deze lijn loste op bepaalde plaatsen en tijden zelfs helemaal op en dan liepen doden, goden, geesten en mensen er even allemaal door elkaar. Zo moest men op de feestdag Samhain opletten om niet door geesten te worden meegenomen. Een uitgeholde biet met een kaarsvlammetje erin kon ze wel afschrikken en men kon zich ook als een dode of geest vermommen om ze te misleiden. Er waren weinig door mensenhanden gemaakte heiligdommen. Bergen, open water, vooral bronnen, en ook open plaatsen in het bos, en bepaalde bomen, konden een heilige status hebben. De cultus van heilige bronnen ging al terug tot de bronstijd en werd door de Germanen voortgezet. Galicië heeft twee officiële talen, het Galicisch en het Spaans. De nationale feestdag van Galicië valt op 25 juli, dat is de feestdag van Sint Jacobus - Sant Iago.