| « De karelskroniek | Via Lactea » |
Misschien zijn deze woorden wel synoniem. Maar er bestaat toch wel enig verschil in de gevoelswaarde: het woord muzikanten roept gedachten op aan mensen die op straat muziek maken en zorgen voor vrolijkheid en vermaak; bij musici denk je eerder aan deskundigen op het gebied van de muziek - zowel in theoretisch opzicht als waar het het bespelen van hun instrument betreft. Op de kapitelen van zuilen en in de portalen van Romaanse kerken kom je hen beiden tegen. De Middeleeuwse beeldhouwers hadden weinig waardering voor degenen, die probeerden geld te verdienen aan het vermaak van pelgrims: deze muzikanten en potsenmakers werden geassocieerd met de duivel en zijn demonische gezellen. Onder de musici daarentegen treffen we (in de overlevering) Koning David aan, die met snarenspel en dans God eert en diende. En ook de engelen, die volgens het boek Openbaring zich eeuwig bevinden rond Gods troon om er de liturgie ten gehore te brengen. 'Muziek is de kunst mooi en goed te zingen. Wie dit vermogen niet heeft, loeit als een koe. Met deze kunst hebben David en zijn gezellen op de tiensnarige psalter en de citer, met ijzeren hoornen en cimbalen, met tamboerijnen, koor en orgel de psalmen gezongen, want muziek is ontleend aan de stemmen der engelen en de hemelse gezangen', aldus de Karelskroniek...