| « Via Lactea | Reisgenoten » |
Wie pelgrimswegen volgt en niet verdwaalt, komt langs kerken en kapelletjes. Hun open deuren nodigen de reiziger uit om binnen te treden en even stil te staan. Vooral in de kleine kapelletjes is het vaak zo stil, dat het net is alsof daar de tijd even stil staat. Daar, in het hier en nu, kan een mens tot zichzelf komen en een plek vinden waar de eeuwen lijken samen te vallen. Naar zulke plekken is de pelgrim op zoek: plaatsen waar ruimte en tijd samenvallen. Zulke plaatsen zijn het die de bron vormen voor legenden over het raadsel van de eeuwigheid: Een zekere Virila, abt van het klooster Leyre, mediteerde over het raadsel van de tijd. Hij kon maar niet bevatten hoe de tijd zich verhoudt tot de eeuwigheid. De vraag hield hem zo bezig, dat hij het in het klooster niet uithield. Hij verliet daarop het klooster en pas ver daarbuiten kwam hij tot rust bij een heldere bron. Hij hoorde er een nachtegaal zingen. Het bracht hem in vervoering en daardoor vergat hij de tijd. Toen hij uiteindelijk weer bij zinnen kwam, kon hij nog slechts met grote moeite het pad terugvinden: hij moest zich een weg zoeken door dicht struikgewas. Teruggekomen bij het klooster vroeg hij zich af of het nog wel dezelfde muren waren die daar stonden. Alles leek anders. En ook de monniken waren anderen dan die hij kende. Ze reageerden ook niet op de namen die hij riep. Na enige tijd vond één van de monnikken in een oud vergeeld boek de naam Virila, met daarbij de notitie, dat hij ooit het woud was ingegaan en nimmer was teruggekeerd...