In Noordwest-Spanje (Asturië) verrees de mozarabische stijl als mengvorm met vroeg-romaanse en Moorse elementen. Deze kerken waren aan de buitenkant sober, maar hadden een fraai interieur met veel oosterse kenmerken. Het belangrijkste Mozarabische stijl-kenmerk is de hoefijzerboog. De Moorse hoefijzerboog ontstond daar Arabische bouwmeesters aanvankelijk de rondboog en het kapiteel als één ding behandelden. Rond 950 verschijnen in Noord-Italië, gevolgd door Catalonië en het noordoosten van Aragón, vernieuwde constructies, gemetseld met natuursteenblokken die langs de buitenzijde min of meer rechthoekig gekapt zijn (zoals bakstenen) en kalkmortel. Catalonië had een sterke zeemacht en had goede contacten met Noord-Italië. (Lombardije) In het begin van de 11e eeuw verspreidde de Lombardische bouwstijl zich in nog geen 25 jaar in een groot deel van Catalonië en een groot deel van het toenmalige Aragón (het huidige Ribagorza en Sorbrarbe). De gewone muren werden door plaatselijke metselaars gebouwd, terwijl de nieuwe technieken door werkploegen van steenkappers en bouwmeesters uit Lombardije werden uitgevoerd. Deze eenvoudige kerken in Lombardische stijl zouden spoedig de complexere mozarabische stijl verdringen.
De Romaanse beeldhouwkunst diende in de eerste plaats om de ongeletterde gelovigen te onderrichten. Het godsbeeld van 1000 jaar geleden is streng en vreesaanjagend. Realistische voorstelling van mens en dier is van geen belang, expressie is de hoofdzaak. Mensen hebben ronde koppen, een hoog voorhoofd, ronde ogen, korte armen en een kort bovenlichaam. Deugden en ondeugden werden door gefantaseerde of bestaande beesten voorgesteld (diersymboliek): draken, griffioenen, demonen, beren en slangen. Bijvoorbeeld: de centaur (leeuw met mensenkop) was onbetrouwbaar, vanwege de dubbele natuur (half mens, half dier), maar symboleerde ook kracht en waakzaamheid. Het beeldhouwwerk is veelal in reliëf en is te zien op de kapitelen van de zuilen en in het timpaan van het kerkportaal. Het kerkportaal kreeg een volledige omlijsting, in de dikke wand uitgespaard. In de dagkanten werden zuilen ingewerkt. De zuilen werden geleidelijk behandeld als beeldhouwwerk (zuilbeelden).
Elk timpaan beeldt één thema uit, vaak elementen uit het oude testament verweven met elementen van het nieuwe testament zoals het laatste oordeel of de hemelvaart.
De periode rond de reconquista was een zeer woelige periode. In de loop van de 11e eeuw schieten de Romaanse bouwwerken als paddestoelen uit de grond in de heroverde Christelijke gebieden. Hier gaat het om kastelen, kathedralen, kerken, kloosters en kapellen. Er is haast geen enkel dorp waar geen Romaans bouwwerk te vinden is. In Spanje zouden rijke en plechtige kerken, die in andere centra van Europa de immense macht van de kerk en de feodale adel symboliseerden, niet veel worden gebouwd. Hier triomfeerde meer de kleinere parochiale kerk ten dienste van kleine gemeenschappen. De verspreiding gebeurde in de eerste plaats langs de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela (de Jacobijnse of Aragonese route). Jaca, de hoofdstad van het nieuwe koninkrijk Aragón, was een strategische plaats langs deze route. De bedevaarders kwamen vanuit Frankrijk door de Pyreneeën via Col de Somport, nabij Candanchú. Rond 1050 werd in Jaca de eerste Romaanse Kathedraal van Spanje gebouwd, die als model zou functioneren voor veel Romaanse bouwwerken in het hele land.
Na Jeruzalem en Rome verwierf Santiago de Compostela de status van derde grootste bedevaartsoord, al duurde het, nadat het graf van Sint-Jacob hier in de negende eeuw 'ontdekt' zou zijn, nog ruim tweehonderd jaar voor de pelgrimages goed en wel op gang kwamen. Net als de meeste heiligen werd Jacob vooral aangeroepen bij medische problemen. Wie naar Compostela ging, deed dat om genezing te verkrijgen, onheil af te wenden of nood te lenigen. Tot de apostel werd ook gebeden in geval van verdwenen echtgenoten of wanneer men ongewild kinderloos bleef. Over dat laatste zeiden andersgelovigen na de Reformatie wel eens spottend dat de pelgrim die met vruchtbaarheidsproblemen naar Compostela ging, bij zijn terugkeer zeker enkele koters zou aantreffen - als hij maar lang genoeg weg bleef...