Heerlijk! Liggen blijven tot 8.00 uur en zien/horen hoe de overige pelgrims al hun spullen bij elkaar tapen met behulp van een zaklamp, het geritsel van rugzakken en ritssluitingen. Dan op je gemak opstaan, douchen en in het oude centrum een café zoeken dat al open is voor café con leche en tostadas. Ik ga om 9.00 uur naar het officio touristico en tot mijn vreugde kan ik ter plekke op internet met een Apple computer, het meest moderne dat ik ben tegengekomen in Spanje tot nu toe. Ik werk mijn dagverslagen bij tot vandaag en verwijder de (145) E-mails van mijn online-account. Daarna neem ik de tijd voor een glas vino blanco op een terrasje en om 12.30 uur komen Philip en Dearmot, die boodschappen hebben gedaan, langs en we lunchen gezellig op het terras met huevos fritos en chorizos. In de refugio moeten we opnieuw inschrijven om nog een nacht te blijven en de hospitalero van vandaag doet er een beetje moeilijk over, maar uiteindelijk is het oké. De middag gebruik ik om nogmaals de imposante kathedraal te bezoeken en daarna loop ik naar de Romaanse brug over de Rio Miño. Dat is een half uur lopen en de hitte is bijna ondraaglijk. Ernaast ligt de moderne Millenniumbrug met een indrukwekkend voetpad als een achtbaan eroverheen, je kunt hoog in de lucht naar de andere kant van de brug lopen en het uitzicht is geweldig! Teruglopend naar het centrum eet ik voor het eerst een lekker ijsje, met als gevolg dat mijn dorst nóg groter wordt. Op de Plaza Mayor is het aan de schaduwkant enigszins uit te houden en ik tref er Karin en Peter, Duitsers die ik al vaker ontmoette. In een winkelstraat vind ik een ´tabacco´ waar ik sigaren en postzegels kan kopen en ga dan terug naar de refugio om een douche te nemen en zo wat af te koelen. We besluiten de avond op een terras boven de oude stad met zicht op de ondergaande zon en komen bijna te laat (10.05 uur) aan bij de refugio waar de hospitalero al ongeduldig staat te wachten, want hij wil de deur sluiten en naar huis. Dit is voor mij een van de vervelende kanten van het overnachten in een refugio. Om 10.00 uur gaat de deur dicht, het licht uit en wordt je geacht te gaan slapen. Ik ben dat niet gewend en lig dus nog uren wakker. Morgen loop ik door naar Cea (22 km.) en daar wil ik overnachten in Casa Rural ´Toledo´ zodat ik weer eens zelf kan bepalen hoe laat ik ga slapen. Buenas noches!
Vannacht was het in de dormitorio van de refugio niet te harden door een hardnekkige snurker, waartegen zelfs mijn oordopjes niet bestand waren. Teneinde raad ben ik beneden in de ontvangstruimte op een bank gaan slapen en zelfs dáár was hij te horen. Philip loste het op door naast zijn oordopjes een slaappil te gebruiken. Vanmorgen heb ik op mijn gemak gedouched en ontbeten in de bar tegenover het klooster, Om niet weer urenlang door de industriegebieden rond de stad te moeten lopen, nemen we de eerste bus naar Cañeda het eerste dorpje buiten de stad en van daaruit gaat het direct stijl omhoog gedurende 2,5 km. naar de Pas San Damián. Dit is de laatste pas die te nemen is voor Santiago. Het is gelukkig wat bewolkt zodat het, rustig stijgend, te doen is. Op de top volgen we de gele pijlen door het dorpje Castro de Beiro en na zo,n 10 km. volgt Liñares waar uit een fuente (bron) boven een bassin met goudvissen, helder en smakelijk drinkwater tevoorschijn komt. Hierna volgt een eenzaam, maar bijzonder mooi wandelpad tussen varens en metershoge gele bremstruiken, omzoomd met kilometerslange muurtjes van gestapelde stenen. Het moet een enorm werk geweest zijn om al deze muurtjes (zonder cement) te bouwen ok de paden en de percelen af te bakenen. Na een paar kilometer prachtige natuur die werkt als ´beaum pour les yeux´ (balsem voor de ogen) komen we vlak voor Mandrás aan een oude Romaanse boogbrug, een juweel in het landschap. In Madrás vinden we een bar en als we bij de koffie om een bocadilla vragen, moet de señora naar Cea bellen en na 10 minuten komt de bestelauto van de panaderia langs om 2 broden af te leveren. Cea is bekend om zijn bijzonder lekker brood! Buiten het dorp lopen we later door de bossen op het originele plaveisel van de Via Mozarabe, een eeuwenoud pad naar Santiago en Finistera en bereiken vervolgens het dorp Pulledo dat niet meer dan een kruispunt is, In het dorpje Casasnovas (nieuwe huizen) dat bestaat uit zeer oude bouwsels en ruïnes én een bar drnken we een cervezza om de ergste dorst te lessen en dan is het nog maar 2 km. naar Cea. In Cea staat een rustieke albergue met een Horreo ervoor, maar als ik de snurker van gisteren ontwaar is de keuze niet moeilijk en ik boek een kamer bij Casa Rural ´Toledo´ want vannacht wil ik écht slapen. Ik maak gebruik van het ligbad om te recupereren en eet daarna met Philip en Dearmot in het plaatselijke restaurantje een menu peregrino met salata mixta, ternera (lamsvlees) en een hele fles witte wijn erbij (zo gaat dat hier, ik kan er ook niets aan doen) In een tienda die al open is kopen we een fles vino tinto voor vanavond op ´mijn´ terrasje en nog wat spullen voor morgen onderweg. In het dorp lopen intussen de bewoners en de pelgrims te hoop want er verschijnt een huifkar met 2 ezels ervoor en twee pelgrims uit Salamanca die opzien baren met hun vreemde uitrusting. Ze slapen blijkbaar in de kar en moeten uiteraard de verharde wegen aanhouden. Vervolgens is er enige opschudding want de hospitalero van de albergue heeft de proteccion civil opgeroepen via 112 en die verschijnt met een ambulance om met wat jodium en plijsters de blaren van enkele Spaanse pelgrims te verzorgen. Ze hebben waarschijnlijk weinig anders te doen en zijn blij met deze afleiding. Terug in de casa Rural zijn er inmiddels nog 3 Spaanse fietspelgrims verschenen die er ook een kamer krijgen. We zitten gedrieën tot 10.00 uur op mijn terras en hebben bij een glas wijn en chorizo (worst) interessante discussies over Spanje, de Spanjaarden, hun costumbres (gewoontes) en de flora en fauna op de Camino. Hasta mañana!
Vannacht heb ik heerlijk geslapen (geen snurkers) en ik ben om 7.00 uur, na een bekertje yoghurt met Philip op weg. We kiezen vandaag voor de langste route omdat dit pad na 10 km. uitkomt bij het beroemde Monasterio Oseira. Na een paar kilometer asfalt wandelen we weer over de originele paden van de Via Mozarabe, prachtig maar ook vermoeiend door de grote stenen en de rotsblokken waar je overheen moet. De zon schijnt al weer volop nadat het gisteren aan het einde van de dag dreigde te gaan regenen. Na ruim twee uur stijgen en dalen op de moeilijk begaanbare paden en kilometerslange muurtjes van gestapelde stenen, bereiken we na de dorpjes Silvabua en Pieles het klooster Oseira en we hebben geluk; om 10.00 uur is er een rondleiding, waar we graag gebruik van maken. Het is een afgelegen Cisterciënzer klooster uit de 12e eeuw, diverse keren verwoest en afgebrand, maar steeds weer opgebouwd en uitgebreid om het alsmaar toenemende aantal (honderden) monniken op te vangen en te huisvesten. Nu leven er nog 14 monniken en enkele nonnen voor het huishouden, Je kunt er (in noodgeval) overnachten maar ze staan er niet om te springen. Na de interessante rondleiding door een rap sprekende señorita (ik kreeg gelukkig een Engelse tekst erbij) door de 2 claustros, het scriptorium en een statig trappenhuis bezoeken we ook nog de bijbehorende kerk, het enige gedeelte dat nooit verwoest werd en nog in de originele staat verkeert. Uiteraard met een beeld van de Heilige Jacobus. Intussen is er een bus met touristen verschenen en de leider van de groep komt met een hele stapel credentials aangelopen om er overal een sello (stempel) in te laten zetten. Ze gaan ook lopen (tot Castro Dozón) waar de bus ze dan weer oppikt. Op deze manier komen ze toch over twee dagen in Santiago aan de felbegeerde Compostela. Onze weg vervolgend gaat het direct weer fel omhoog over het stenige pad met een prachtige terugblik op het hele kloostercomplex. We lopen opnieuw door een prachtig natuurgebied met veel brem, maar we komen door het lastige pad, de hitte en het steeds weer dalen en stijgen maar langzaam vooruit. Het eerste dorp Carballiño is weer bijna volledig verlaten, maar in het tweede; Gouxá is zelfs een bar en daar zijn we wel aan toe. We ontmoeten er een Amerikaans echtpaar dat op zijn gemak een paar etappes loopt van Ourense tot Santiago. Ze verbazen zich erover dat er bij de weg- en gemeentewerkers, waar ook mensen met een taakstraf bij zijn, niemand met een geweer staat die de wacht houdt zoals in Amerika. Ik vertel hen dat we in Europa niet zo gek zijn op geweren als in hun land. Na het dorp Vidueiros gaat het langzaam dalwaarts en na 22 km. zijn we eindelijk in Castro Dozón waar de enige refugio intussen vol is. In de plaatselijke bar horen we dat er nog een bus rijdt naar Lalin, dat echter 6 km. buiten de Camino ligt. We besluiten voor die oplossing te kiezen en als de bus aankomt zijn we in 10 minuten bij Hotel Palacio in Lalin. Het is mijn eerste hotel tijdens deze tocht en we kunnen er vanavond eten. Voor het slapen gaan maak ik met Philip nog een ommetje door de stad voor een glas wijn en wat tapas. Morgen gaat het richting Bandeira, de laatste stop voor Santiago, waar we vrijdagavond hopen aan te komen. Deo Volente...
In Lalin zijn we 6 km. verwijderd van de Camino en na een café con leche in de tegenoverliggende bar, nemen we een taxi die ons in Laxe weer op het spoor (gele pijlen) van de Camino zet. Na 2 km. asfalt kunnen we de N525 gelukkig verlaten bij Prado en er volgen mooie holle wegen en paden met hoge varens en kurkeiken langszij. Wat vooral opvalt sinds we in Gallicië zijn is de scherpe geur van de eucalyptusbossen die hier terrein winnen. De bloemenpracht in de bermen is schitterend in dit jaargetijde. Afwisseld stijgend en dalend gaan we onder een enorme spoorbrug door en bij de Rio Deza stoten we op een prachtige Romaanse boogbrug in deze idyllische omgeving en dat terwijl de carretera nooit ver weg is. Stijgend door het bijna verlaten gehucht Ponte komen we aan een wegkruising met de Romaanse Santiagokerk van Taboada die een timpaan heeft met een afbeelding van Santiago Matamoros, uit één steen gekapt. Ervoor staat een Middeleeuws stenen wegkruis zoals we al vaker tegenkwamen, met aan de ene kant de gekruisigde en aan de andere kant een piëta, soms redelijk behouden, vaak erg geërodeerd door de tijd. Op een wegkruising treffen we de huifkar met de twee ezels (die ik al eerder vermelde) weer aan met de twee mannen uit Salamanca die erbij horen. Een van de ezels ligt uitgeteld op een zij en is aan zijn siësta begonnen. Ze moeten op de drukke carretera blijven en dat is voor de ezels niet gemakkelijk. Via Tras Fontao komen we aan de rand van Silleda, een grotere stad, maar gelukkig leidt het pad ons met mooie paden en eucalyptusbomen om de stad heen en komen we alleen in een van de uithoeken met een bar waar we een rustpauze inlassen. Opnieuw volgt nu de originele Via Mozarabe en kilometerslang hebben we mooie natuur totdat we de autobaan moeten oversteken (per brug) en in de verte Bandeira ontwaren. Na nog eens twee uur lopen we de stad in en schrijven ons in bij Hostal Gonzalez, De eigenaar bezit alle hostals (4) in de plaats en heeft dus plaats genoeg. Het eten is er prima en ik maak ook dankbaar gebruik van het ligbad dat bij de kamers hoort. Gisteren heb ik bij een val mijn rechterdijbeen geblesseerd waar ik vandaag toch wel enige last van had bij het dalen en klimmen. In Santiago heb ik twee rustdagen (zaterdag en zondag) zodat ik het vervolg naar Finistera (maandag) wel aan zal kunnen.
De laatste etappe naar Santiago begint om 7.00 uur als ik met Philip zonder ontbijt vertrek uit Hostal Gonzalez in Bandeira, een onooglijk dorp dat werkelijk níets fotogenieks te bieden heeft. Zelfs de kerk is de lelijkste die ik ooit zag in Spanje. Maar ´t was maar voor één nacht. We lopen in dichte nevel de heuvels in en het ziet er naar uit dat die voorlopig niet zal optrekken. Na het eerste gehucht Vilariño lopen we de bossen in en doorkruisen die tot San Martin de Domelas. Hier slaapt iedereen nog, op wat waakhonden na, dus we hopen op meer geluk voor een ontbijtje in Seixo, waar inderdaad een bar blijkt te zijn die al open is. Dan daalt het pad weer tot de Rio Ulla die we via een lange brug oversteken naar Ponte Ulla, een gehucht waar in een huis een Middeleeuws kapiteel is ingemetseld met een reliëf van de legende van de heilige Nicolaas van Bari waarop te zien is hoe de heilige gouden kogels geeft aan drie meisjes die in een bed liggen om hen te redden voor een leven in een bordeel. (?) Ook hier wemelt het van de legendes en mythen. In Outeira, een uurtje later, staat een prachtige Romaanse kapel van Santiago uit 1676 met een merkwaardig torentje en iets verder passeren we een splinternieuwe refugio waar net twee Spaanse pelgrims vertrekken, de enige twee die we vandaag zullen tegenkomen. Het verbaast me nog steeds dat je onderweg zo weinig mensen ziet, terwijl op de aankomstplaats de refugios vol zijn. Aan de carretara ligt een café waar we een pauze inlassen en als we daar zitten komt Dearmot aangereden op zijn fiets en stopt er ook. Over de carretera komt ook weer het span met de twee ezels aangeschommeld. Het lijkt me erg gevaarlijk om constant met deze dieren langs de drukke verkeerswegen te moeten lopen want de Spanjaarden rijden hier als gekken. Via Santiaguiña gaat het weer bergop en als ik boven op de eerste heuvel mijn boek wil raadplegen voor de juiste richting merk ik dat ik het heb laten liggen in de bar. Terug dus, want ik heb het nog nodig voor de route naar Finistera en als ik de bar in zicht krijg komt de camarera al naar buiten rennen, zwaaiend met mijn boek. Dat zijn twee kilometer extra vandaag! Bij Rubiál lopen we de eucalyptusbossen in tot Suzana. De scherpe lucht van eucalyptus die er hangt doet me denken aan de vix die we, als kinderen, op onze borst en neus gesmeerd kregen als we verkouden waren. Hier hoef je alleen maar diep in te ademen en je blijft gezond. Deze bomen worden, sinds de Franco-tijd gebruikt voor de papierindustrie, maar ze nemen zoveel water op uit de bodem dat de omringende vegetatie langzaam afsterft. In Marrozos nemen een laatste (broodnodige) pauze want de hitte (de zon is er weer) en de korte maar hevige hellingen eisen hun tol. Als we weer wat opgeknapt zijn gaat het verder bergop naar Santiago dat we bereiken rond 15.00 uur, maar door wegwerkzaamheden aan de nieuwe snelweg worden we nog eens twee kilometer omgeleid voordat we (alweer stijl bergop) het centrum bereiken. Dearmot die op de fiets hier al uren geleden arriveerde heeft onderdak voor drie nachten geregeld in een enorm kloostercomplex buiten het centrum in het Seminario Ménor (kom ik tóch nog eens in het klein semenarie terecht!), waar plaats is voor zo´n 600 pelgrims in diverse zalen en op 3 verdiepingen. Het is er goed geregeld met enkele bedden, genoeg douches en zelfs ´lockers´ voor je spullen. Ook zijn er wasmachines en er is zelfs internet, waar vooral de jongeren voortdurend actief op zijn. Op de Praza do Obradoiro, het grote plein voor de imposante kathedraal, waar een enorme drukte heerst, maken we enkele foto´s van onze aankomst. Na wekenlang lopen, klimmen, zweten én genieten voelt het geweldig om hier weer aan te komen. Het contrast is groot. We hebben vandaag eigenlijk bijna niemand gezien en hier val je in een enorme chaos van geluiden en om je heen hoor je werkeljk alle talen van de wereld. Bij het touristenburo krijg ik de nodige informatie over de route naar Finistera en bij het pelgrimsburo staat een lange rij wachtenden voor hun ´Compostela´. Dat sla ik maar even over, misschien is het morgenvroeg beter te doen, hoewel dan de vroege vogels van de Camino Francés van de Monte de Gozo (de berg van de vreugde) de laatste 5 kilomerter afdalen en dus al heel vroeg in de stad arriveren. Gezien het enorme aantal pelgrims dat vandaag arriveert (en daaar zijn er misschien 50 van de Via de la Plata bij) moet het op de Camino Francés wel érg druk zijn dit (heilig) jaar. Ik ga bij de Parador ´Los Reyes Katolicos´ een glas wijn drinken, maar ze hebben slim een terras gecreëerd links naast de Parador, zodat ze de pelgrims buiten kunnen houden. Ze geven (traditioneel) elke dag aan 10 pelgrims een gratis maaltijd en Dearmot is vastbesloten een van de gelukkigen te zijn. Om zes uur is er een dienst in de overvolle kathedraal en aan het einde van de dienst wordt de Botafumeira door de kerk gezwaaid. Ik zag het spectakel al eerder in 2004, maar toch maakt het weer indruk op me en ik voel weer iets van de ontroering die ik had bij de eerste aankomst in deze bijzondere stad. ´s Avonds ga ik met Philip en Dearmot een ´menu peregrino´ eten in een van de vele restaurantjes en ontmoet er een Frans stel dat ik onderweg tegenkwam en twee Duitse mannen die me in Ourense de weg naar de albergue vroegen. Terug bij het Seminario Menór praat ik met een Duits meisje dat de Camino Portugése liep en een Italiaans stel waarvan de vrouw ooit de Via Francigena liep van Florence naar Rome, die ik ook nog eens wil afmaken. Ook zijn er twee Engelse meisjes aangekomen die de Camino Francés liepen met sneeuw in de Pyreneeën en vervolgens twee weken regen tot Burgos. Dan hebben wij het beter getroffen met één dag regen onderweg. De albergue sluit hier pas om 24.00 uur maar ik ga toch op tijd slapen na deze mooie, maar vermoeiende dag. Morgen en overmorgen: twee rustdagen in Santiago de Compostela...
Twee dagen vrij in Santiago, lekker uitslapen in de albergue van het Seminario Menór tot 8.00 uur en ontbijten in café Dakar in het centrum waar philip en Dearmot ook opduiken. Het is even wennen aan de consumptieprijzen want de toeristenval staat hier wagenwijd open. Philip moet twee euro extra betalen voor hetzelfde ontbijt als ik heb, omdat hij vergeet erbij te zeggen: desayuno ´complet´. Hij protesteert tevergeefs. Ik bezoek daarna het Romaanse kerkje waar de herder Pelayo woonde toen hij middels een stralende ster naar het graf van de apostel werd geleid. Hij wist gelijk dat het om Jacubus de meerdere ging en de plaatselijke Bisschop (die besefte wat dit kon betekenen voor de streek) bevestigde (zonder DNA test) dat het hier om Sant-Yago ging. Tot zover de legende. Het kerkje heeft in ieder geval een prachtig retabel. Ik zie nog wat bekenden terug van onderweg zoals Peter de Duitser die bleef overnachten in Monasterio Oseira en het koppel uit St. Malo in Bretagne. Voor de Kathedraal op de Praza do Obradoiro is het intussen een drukte van belang en aan de stroom pelgrims komt maar geen einde. Bij een duo straatmuzikanten met viool en gitaar koop ik een CD met Keltische muziek en om 13.00 uur lunch ik met Philip in een klein restaurantje waar de bediening zó snel is dat ik de ´primero´ niet helemaal kan opeten, omdat de ´secundo´ anders al koud is voordat ik eraan begin. Eso es. Dearmot is zeer opgetogen omdat het hem gelukt is om in de Parador een gratis lunch te bemachtigen. In Santiago is drie dagen lang een Middeleeuws feest met kraampjes, klederdrachten, goochelaars en tegen de avond vuurspuwers, acrobaten en ridders te paard. Op de markt komen we kennissen tegen van de Spaanse echtgenote van Philip die ons uitnodigen voor een drankje en vervolgens zien we drie leuke café´s waar alleen Spanjaarden komen en worden we getracteerd op heerlijke wijn uit de Bierzo (een streek die ik op de Camino Francés doorkruiste) en lekkere tapas. Het is erg gezellig en als ze horen dat ik over een week hier terugkeer uit Finistera geven ze aan dat ik hen moet bellen zodat ze me nog wat interessante plaatsen kunnen laten zien. Misschien is dat wel leuk om zo mijn tocht af te sluiten. We zullen zien.
Zondagmorgen is de bewolking verdwenen en het is weer een stralende dag. We ontbijten weer in café Dakar en de camarero herkent Philip van gisteren. Maar alles gaat goed nu en na het desayuno bezoeken we de grote kerk van Franciscus van Assisi waar (natuurlijk) ook een beeld van Jacobus staat. Ook het museum van de kathedraal is een bezoek waard met o.a. een grote bibliotheek waar het originele contract te zien is dat meester Mateo kreeg om de beroemde Portica de la Gloria te maken aan de ingang van de kathedraal. We gaan voor een (dure) kop koffie brutaal bij de Parador Reyes Katolicos naar binnen en zien de ongelooflijke pracht en praal in dit luxe hotel (250 euro per nacht) waar de koning verblijft als hij naar Santiago komt. Om 16.00 uur bezoeken we een interessante fototentoonstelling over de samenhang tussen de drie pelgrimswegen naar Rome, Santiago en Jeruzalem met een bijbehorende film. Om 18.00 uur heeft Dearmot twee kaartjes weten te reserveren voor een speciale excursie in Palacio Gelmirez met een bezoek aan het dak van de kathedraal. We komen o.a. door de zaal waar ik bij mijn aankomst in Santiago in 2006 ´s avonds een Middeleeuws concert bijwoonde met de groep ´Mundi´ en de Romaanse kapitelen met muzikanten en zangers in de prachtige ruimte roepen die herinnering weer bij me op. Als we aansluitend via vele trappen het dak bereiken staan we perplex. Het van twee kanten schuin oplopende dak bestaat uit grote granieten platen die dakpansgewijs over elkaar liggen. Het gewicht moet enorm zijn. We lopen even later echt over de nok van het dak met aan de ene kant vlakbij het grote beeld van de apostel dat van beneden bijna niet te zien is en aan de andere kant de Barokke klokkentorens die je kunt aanraken en er is beeldhouwwerk tot in de toppen. De kathedraal is een mengelmoes van 6 bouwstijlen inclusief de platereske vormen van de Moorse zilversmeden uit de tijd van Al Andaluz en bestaat (in deze vorm) in 2011 al 800 jaar. Een architektonisch meesterwerk! De gids vertelt de annekdote van de klokkenluider die op het dak woonde omdat het te veel tijd vergde om tussen de tijden dat hij de klok moest luiden naar beneden te gaan om andere dingen te doen. Hij had een groentetuintje op het dak, kippen en een varken en toen het varken geslacht moest worden, werden alle klokken geluid, zodat de mensen beneden het krijsen van het dier niet hoorden. Diep onder de indruk van dit bouwwerk staan we weer buiten en vernemen dat het reserveren van kaartjes voor een concert met Keltische muziek via internet mislukt is. Als pleister op de wonde krijgen we wel een échte processie door de straten met Keltische muzikanten voorop en een priester- en nonnenschaar erachteraan. De priesters dragen een lange brandende kaars en ik zie dat een van hen zijn hand zo hoog aan de kaars heeft dat het hete kaarsenvet over zijn vingers loopt. Hij geeft geen krimp. Bewust (pijn) lijden was altijd al populair in het katholicisme. Gevolgd door een grote versierde baar met het tabernakel en een plechtig spelende harmonie met een massa gelovigen erachteraan schuifelt de stoet richting kathedraal, terwijl kanonschoten klinken en vuurwerk wordt afgeschoten. Katholiek Spanje op zijn best en een treffende afsluiting van mijn verblijf in Santiago. Morgenvroeg neem ik de (wandel)draad weer op en vertrek voor de eerste etappe naar Finistera aan het ´einde van de wereld´.
Vandaag verlaat ik na twee dagen Santiago en begin aan de Via Finistera die me tot aan de Atlantische Oceaan brengt. Na een rustige nacht (met oordopjes) neem ik afscheid van Dearmot en Philip die vanmiddag per trein naar Madrid reizen. Dearmot geeft me zijn fietshandschoenen mee met het verzoek om ze in Finistera ritueel te verbranden en wenst me een ´buen Camino´. Philip, met wie ik een groot deel van de Via Mozarabe samenliep, zal ik zeker missen. Zijn fijnzinnig cynisme, zijn kennis van (kunst)geschiedenis, maar vooral zijn humor hebben mijn Camino zeer verrijkt en veraangenaamd maar ook heb ik kunnen profiteren van zijn vloeiend Spaans, waarmee hij menig prijs-kwaliteitsconflict in restaurants en bars te lijf ging. Dearmot die vanaf Salamanca noodgedwongen (door een knieblessure) de camino verder per fiets deed, was een luxe voor ons omdat hij, voordat wij arriveerden in de albergues, al bedden gereserveerd had waardoor wij rustig en zonder stress de etappes konden lopen. Jammer voor hem dat hij de mooie bergetappes moest missen. Toch voelt het goed als ik weer alleen op pad ga. Het alleen onderweg zijn is toch de beste manier om te reflecteren en los te laten en ik loop in een stralende zon te genieten van het mooie Gallicische groene landschap. Er is één echte steile en lange helling in deze etappe en na Quintán krijg ik die meteen voor mijn kiezen. Op mijn gemak en met een pauze in een bar halverwege (waar ze zelfs Leffe bier verkopen!) levert het geen problemen op en voor de rest gaat het geleidelijk op en af met mooie panorama´s en door kleine dorpjes als, Aquapesada, Trasmonte en A Barca. In het dorp A Ponte Maceira ligt een fantastische Middeleeuwse brug over de Rio Tambre met de resten van een oude molen uit de 14e eeuw. Het is werkelijk de mooiste brug die ik zag op de Via de la Plata met op de achtergrond een stroomversnelling in de rivier. De laatste vijf kilometer loop ik samen met een Spanjaard die de camino Francés heeft gedaan en wiens voornaam ´Santiago´ is. In Negreira vind ik onderdak in de splinternieuwe albergue privado ´San José´ waar ik kan douchen en even bijkomen. Omdat ik nog niets gegeten heb vandaag, ga ik op advies van de aardige hospitalera eten in de plaatselijke taberna waar ik op de TV het weerbericht zie; de komende twee dagen regen! Eso es; ik heb een poncho en een kleine parapluie bij me, dus wat kan me gebeuren. In de taberna zie ik tot mijn verbazing twee politieagenten met het pistool in de holster op de gokautomaat spelen en daarna drinken ze gezellig met z´n tweetjes een fles rode wijn leeg. Vervolgens stappen ze doodgemoedereerd in hun dienstauto en rijden weg. Ze zetten nog nét niet de sirene aan. Dit kan volgens mij alleen in Spanje! Even later zie ik Santiago terug die ook in ´San José´ geboekt heeft en als ik terugkom in de albergue zijn er inmiddels een stuk of tien pelgrims gearriveerd. In het dorp is verder niets te beleven, dus werk ik maar even mijn dagverslagen bij en plan alvast de volgende etappe naar Olveiroa (33 km.) voor morgen.
Na een onrustige nacht (twee hardnekkige snurkers) ben ik al vroeg uit de veren in albergue San José. Gisteravond heb ik nog gesproken met de Duitse Karin uit Hamburg die in Pamplona gestart is met gelijk een hele week regen en die, zoals veel andere pelgrims nu de stilte opzoekt van de Camino Finistera. Toen ik in 2004 met de bus vanuit Santiago naar Finistera ging was het een stralende dag. Nu ik de tijd heb om het lopend te doen, wordt ik afgeknepen door de weergoden want het regent constant. Als ik vertrek is het nog motregen, maar na A Pena heb ik mijn poncho hard nodig. Het giet en het heeft geen zin om ergens te blijven zitten en de dorpen lijken uitgestorven. Drijfnat bereik ik na 20 km. Maroñas waar gelukkig een bar is. Ik drink er koffie en de kroegbaas is blijkbaar gewend aan natte pelgrims want hij heeft een bord aan de muur hangen met de tekst; ´no descalzo´- ´verboden de schoenen uit te doen´. De bar ligt aan de carretera naast een bushalte. Ik houd het voor gezien en neem de eerstvolgende bus die me 10 km. verder afzet, waarna ik nog 3 km. binnendoor loop naar het afgelegen dorpje Olveiroa. Hier is een piepkleine albergue en als ik denk aan de snurkers van de laatste nacht, ga ik op zoek in het dorp en vind er de casa rural ´As Pias´ waar ik (wat minder goedkoop) een kamer boek. Hier kan ik op mijn gemak alles drogen, lekker douchen en mijn spullen reorganiseren. Ik ontmoet er drie Engelse vrouwen en een man die nog door willen lopen naar Cee, mijn bestemming voor morgen. Het zijn aardige mensen die elk jaar een stuk van de Camino doen en dit jaar zijn ze in Palas de Rey gestart. Als ik gedroogd en opgeknapt het dorpje bezichtig blijkt het een pittoresk gehucht te zijn met veel horreos, een klein kerkje en een heel apart kerkhof ernaast. De albergue is snel vol en ik ontmoet er een Duitse vrouw met twee grote honden die de Camino del Norte heeft gedaan vanuit Bilbao. De honden hebben de tocht goed doorstaan, het is alleen niet eenvoudig om met deze dieren onderdak te vinden en in een bus nemen ze hier absoluut geen honden mee. Ze zal met de honden terug moeten lopen naar Santiago. In de buurt van de refugio is een bar ´Peregrino´, zo´n kroegje dat in Nederland onmiddelijk gesloten zou worden omdat het aan geen enkel horeca-reglement voldoet. Ook hier hangt een bord aan de muur met de tekst. ´in esta etablecimient existen hojas de reclamaciones a dispocion de los usarios´, wat zoveel wil zeggen als: als je een klacht hebt, zijn er in dit café formulieren die je daartoe kunt invullen´. Ik heb geen idee wie de klacht zou moeten behandelen en ben er ook niet gerust op dat je klantgericht geholpen zult worden. Ik neem hierna de tijd voor een siësta om mijn verstoorde nachtrust in te halen en vanavond is er in voornoemde bar een ´menu del dia´ te krijgen. Het is het bekende riedeltje met primeros, secundos en postres als overal op de camino en meestal probeer ik eraan te ontkomen door maar één ´plato´ te bestellen. Ze kijken je dan een beetje vreemd aan maar het kan wel en de wijn maakt veel goed. ´s Avonds ontmoet ik in de bar de Spanjaard Manu, een pescador (visser) die met zijn hond ´Lobo´ (wolf) onderweg is vanuit zijn woonplaats Barcelona en ook zie ik ´Santiago´ uit Bilbao terug die met een andere Spanjaard Paco spullen koopt om zelf te gaan koken in de albergue. Twee verlate Duitse vrouwen komen drijfnat binnen en vragen of er in het dorp ook een hotel is, maar helaas... De jonge bardame heeft het erg druk met al die hongerige pelgrims en de zaak dankt er duidelijk zijn bestaan aan. Na een laatste glas wijn in mijn rustige casa rural ga ik op tijd slapen en hoop maar dat het morgen niet zal regenen.
Het heeft de hele nacht door geregend en ik bereid me voor op nog een nat pak vandaag, maar tot mijn verbazing is het droog en bewolkt dus ik waag het er maar op. Na een koffie cortado vertrek ik om 7.00 uur richting Hospital en voorlopig is het asfalt lopen, wat minder prettig is. Na Hospital kun je kiezen voor Muxia of Finistera. Ik kies voor de richting Finistera (30 km.) en bij Das Nevas kan ik de verharde weg verlaten en volg een mooi pad de bergen in. Na een uur kom ik bij de oude Capila da Nosa waar pelgrims buiten een soort altaartje hebben ingericht met schelpen, stenen, foto´s en zelfs twee paar oude wandelschoenen. Ik ontmoet er een Koreaan genaamd Minhu, die de Camino francés liep. Hij is een Zuid-Koreaan en vertelt dat Noord-Koreanen niet mogen reizen of het land verlaten. Dat heb je met dictators. Ze onderdrukken hun eigen volk en tegelijkertijd zijn ze bang dat er iemand verdwijnt naar het buitenland. Het (bange) volk is nl. de basis voor hun perverse macht en hun walgelijke rijkdom. Even later verschijnt er nog een en ze lopen samen verder. Het gaat stug omhoog en tenslotte loop ik hoog over de heuvelrug met een fantastisch uitzicht over het gevariëerde landschap. En het blijft droog! Er volgt een kort uitstapje naar het ´Cruz de Armada´ en een kilometer verder zie ik in de verte de zee. Ik bel even met Thea om te vertellen dat ik na de Via de la Plata vanuit Sevilla en de Via Mozarabe vanuit Salamanca, nu na 1100 km. de Atlantische Oceaan heb bereikt. Het geeft me een enorm gevoel van vreugde en voldoening. het was goed om het in twee delen te doen want ik voel dat het genoeg was. Het is een Japanse vrouw met een onuitspreekbare naam die een foto van me maakt met op de achtergrond de zee en dat is tekenend voor het gegeven dat mensen van over de hele wereld hier naar toe komen om zich op de camino te begeven. Ieder met zijn- of haar eigen beweegredenen maar ook om anderen te ontmoeten en dat geldt ook voor mij. Langs het pad naar beneden staan de resten van verbrande bomen. De sporen van de grote bosbranden verleden jaar. Santiago vertelde dat veel van deze branden worden aangestoken door mensen die er vervolgens eucalyptusbomen willen planten omdat daarmee sneller en meer geld te verdienen valt. Mensen doen werkelijk alles voor geld. Ik daal langzaam af naar Cee en in de eerste bar ontbijt ik (om 12.00 uur) met koffie en tostadas. Een Frans stel, dat ik inmiddels leerde kennen, zit er al en een kwartiertje later komt ook Santiago binnen. Hij wil in Cee overnachten en zijn terugreis naar Bilbao regelen en ik wil nog iets verder tot Corcubión. Net als ik wil vertrekken komt de Duitse vrouw met de twee honden binnen en de barjuffrouw kijkt benauwd. De honden gaan echter rustig onder een tafel liggen. Boven deze bar hangt ook weer een bord (de Spanjaarden zijn er blijkbaar gek op) met de tekst: ´estos son los restos de ultima cliente que se marchó sin pagar´, met ernaast een doodskop en een horloge afgebeeld. Het betekent: ´dit zijn de overblijfselen van de laatste pelgrim die zonder te betalen naar buiten ging´. Spaans gevoel voor humor. Ik post in het dorp nog een kaart die ik al dagen bij me heb en loop nog 2 km. door naar Corcubión waar ik bij pension ´Beiramar´ een kamer krijg met zeezicht! De hospita vindt het maar niks zo´n man alleen onderweg en vraagt me om haar mijn vuile was te geven. Ook zal ze voor vanavond een thermoskan warme melk klaarzetten zodat ik me een kop koffie kan maken. Heerlijk zo´n vrouw die voor je wil zorgen. ´s Middags ga ik Corcubión verkennen en in de haven zijn vissers bezig zout te laden en varen daarna zeewaarts. Op een bord langs de weg zie ik dat ik aan de ´Costa da morte´ ben aangekomen, de kust van de dood, dat erop wijst dat hier in het verleden veel schepen vergaan zijn. Ik loop terug naar het centrum van Cee on sigaren te kopen en in de ´estanco´ vraagt de verkoopster waar ik de Camino begonnen ben. Als ik vertel dat ik een maand onderweg ben is ze verbaasd en vraagt of ik soms geen werk heb. Als ik haar zeg dat ik ´pensionado´ ben, zegt ze; ´tan joven ¿´(zó jong?) Mijn dag kan natuurlijk niet meer stuk. Terug in het pension ligt mijn was keurig opgevouwen in de badkamer - geweldig! Morgen heb ik de kortste etappe van mijn tocht (15 km.) naar Finistera - ´het einde van de wereld´, waar lang voor mij de Kelten en later de Romeinen dachten dat hier de wereld ophield. Wetenschap en kennis hebben aan deze mythe (en vele andere) een einde gemaakt, maar meer kennis leidt helaas lang niet altijd tot meer inzicht, hetgeen in de huidige wereld pijnlijk zichtbaar is...
Vanmorgen ben ik om 8.00 uur vertrokken, na me nog een kop koffie te hebben gemaakt in pension ´Beiramar´. Ik kan geen afscheid nemen van het vriendelijke en behulpzame paar, want alles is nog in diepe rust. De man liet me gisteren vol trots grote foto´s zien van het orkest waarin hij 40 jaar als saxofonist had gespeeld en wees lachend op de mooie en schaarsgeklede zangeressen van de band. Ook vroeg hij me nog of ik niet afgezet was in het restaurantje dat hij me had geadviseerd. In het stadje wordt de Camino slecht aangeduid en leidt me naar de carretera voor een kilometer sterk stijgend asfalt, een slecht begin. Gelukkig kan ik er dan vanaf en langs een eenzame albergue loop ik het bos in. Dan begint het weer te regenen en heb ik mijn poncho nodig. Ik kom door kleine dorpjes zoals: Vilar, San Roque, Amarela en stop bij een bar in Estorde voor een ontbijtje met koffie en tarta Santiago. Het regent nog steeds als ik door Sardiñeiro kom, maar als ik daarna weer omhoog de bergen in wordt geleid is het droog. Na het gehucht Calcoba is er ineens een prachtig uitzicht op de Oceaan en ik zie in de verte Finistera liggen. (nog 6 km.) Afdalend kom ik aan de zee waar de vloedgolven brullend op me af komen. De laatste 2 km. loop ik over het strand waar ik de Duitse vrouw met haar twee honden tegenkom. In Finistera ligt de albergue in het centrum, maar ik loop bij Hostal Mariquito naar binnen en neem een kamer met douche want ik heb behoefte aan privacy en rust. In de albergue krijg ik later mijn laatste sello (stempel) en een prachtige oorkonde van de Camino de Finistera. Als ik me omdraai zie ik op de rugzak van een vrouw de tekst: ´met wie kan ik mee terug rijden naar Nederland´. Als ik de tekst hardop lees draait de vrouw zich om en ik kijk in het gezicht van Gré, een vrouw uit de Hollandse polder die op 25 februari in mijn atelier overnachtte op weg naar Santiago de Compostela. Dit is echt ongelooflijk! Ze is bijna 4 maanden onderweg geweest (ik kreeg nog een kaart uit Le Puy en Velay) en op dezelfde dag als ik aangekomen aan het einde van de wereld. Daar moet op gedronken worden! Ze gaat een half uur later met de bus terug naar Santiago en als ze niemand vindt voor een lift naar huis, zal ze de trein moeten nemen. Ik neem afscheid van haar en loop naar de Faro, de vuurtoren helemaal aan het einde van de rotsige landtong. Dat is retour nog eens 7 kilometer waardoor ik vandaag toch nog 20 km. loop. Onderweg kom ik in gesprek met Gabrielle, een Amerikaanse (schrijfster) uit Connecticut (USA) die alleen onderweg is geweest op de Camino Francés. Ik loop met haar omhoog tot aan de vuurtoren waarachter een soort ´offerplaats´ is waar pelgrims hun schoenen en andere spullen ritueel verbranden. Het is nevelig en bewolkt, maar dat geeft aan deze plek juist een bijzondere sfeer en ik blijf er enige tijd in gedachten vertoeven. Terugdenkend kan ik zelf nauwelijks bevatten dat ik hier nu sta, na het te voet doorkruisen van Spanje van Sevilla in het zuiden tot het uiterste noord-westen aan de oceaan, met indrukken van zóveel verschillende landschappen, dorpjes en prachtige steden en een grote verscheidenheid aan mensen en talen. Van het ´Gallego´ de spreektaal van Gallicië is geen woord te verstaan. Ik spreek met Gabrielle over de openheid tussen mensen op de Camino en de grote hulpvaardigheid, dingen die straks in het ´normale´ leven niet meer zo vanzelfsprekend zijn omdat mensen altijd op hun hoede zijn om zich vooral niet kwetsbaar op te stellen. Het vasthouden van de attitude die je onderweg ontwikkelt is eigenlijk de grootste opgave van de Camino. Terwijl ik dit zit te schrijven, regent het buiten alweer dat het giet, maar dat deert me niet meer. Ik ben er; Ultreia!
´s Avonds tref ik op een terras Karin de Duitse uit Frankfurt, Santiago en Manu met zijn hond Lobo en we vieren met een drankje onze aankomst in Finistera. Manu is een ´marinero´, een eenvoudige visser, maar hij heeft bijzonder mooie gedachten over het leven, de Camino en het communiceren met andere mensen. De hond en hij zijn onafscheidelijk. Als de hond niet welkom is in een albergue slaapt hij ook buiten en als hij eet, eet de hond ook. Om tien uur is het koud buiten en ik ga terug naar mijn Hostal om te slapen.
Dit was een mooi afscheid van fijne mensen op mijn Camino.
´Finistera es la ultima sonrisa del caos del hombre
asomandose al infinitivo´...
Vanmorgen ben ik goed uitgerust opgestaan om 8.00 uur en omdat de bar van het Hostal nog gesloten is ga ik op hetzelfde terras van gisteravond ontbijten met koffie en geroosterd brood. Santiago zit er tot mijn verassing ook al en kijkt een beetje moeilijk. Hij heeft gisteren nog laat doorgevierd met enkele Spanjaarden en daar kwam mucho vino aan te pas zodat hij nu een zwaar hoofd heeft en dat terwijl hij vandaag naar Muxia wil lopen. (30 km. naar het noorden) Ik neem nogmaals afscheid van hem en weet intussen dat zijn motivatie om de Camino te lopen gebaseerd was op het feit dat zijn vrouw enkele maanden geleden gestorven is. De Camino is ook een manier om te verwerken en verder te kunnen. Terug in het Hostal tref ik Karin weer, die er ook overnachtte. Ze vertelt dat ze een ´sabatical´ heeft genomen om even haar drukke baan als consultant te onderbreken en zou eigenlijk een creatiever leven willen leiden zonder de stress waar ze permanent aan onderhevig is. Ze weet alleen nog niet hoe ze dat kan bereiken en liep op de Camino om daar over na te denken. Ook van haar neem ik opnieuw afscheid en om 12.00 uur neem ik de bus naar Santiago. De route gaat tot mijn verbazing niet door het binnenland, maar langs de kust met aan de ene kant de oceaan en aan de andere kant een langgerekt bergmassief. Ondanks de grijze lucht en de regenwolken levert dat nog mooie zeezichten op. Uiteindelijk gaat het landinwaarts naar Santiago waar ik om 15.00 uur arriveer. Van het busstation is het nog 2 km. lopen naar het centrum en als ik onderweg een leuke bar tegenkom, ga ik er een glas wijn drinken. Ik heb intussen wel trek, maar de eigenaar kan me alleen een sandwich met kaas, ham en tomaat maken. Ik denk dat ik er enigszins uitgehongerd uitzag want hij brengt me bij de wijn nog twee bakken chips. Er is achter de bar een prachtige tuin en dat is in Spanje echt een zeldzaamheid. In het centrum loop ik binnen bij enkele Hostals voor onderdak, maar alles is ´complet´. Dan ga ik naar een groentewinkeltje dat ik nog ken, want de eigenaresse plukte me in 2006 van de straat toen ik in Santiago aankwam en had toen een eenvoudig kamertje voor me. Ze is er nog en ik kan er ook nu weer twee nachten blijven. Ik zie er tegen op om weer in het grote Seminario Menór te gaan slapen en blijf liever in het centrum dit weekend. In de stad bel ik met Manolo Rodriguez die ik vorig weekend leerde kennen en we spreken af om elkaar zaterdagavond om 20.00 uur weer te ontmoeten in een bar. Dat is fijn, want als je zo terug komt in Santiago is iedereen die je onderweg leerde kennen vertrokken en met de nieuwe aankomers heb je geen verbinding. Vanavond kijk ik nog wat rond in de stad en morgen zijn er nog wel wat plaatsen die ik nog niet bezocht heb. Het wordt een weekend van afronden en me op de terugreis richten. ´s Avonds loop ik nog even naar de kathedraal en tot mijn verassing is daar een concert. Een vrouwenkoor uit Tokio zingt op een fantastische manier Maria-liederen en daarna in Japanse klederdracht met prachtige kimono´s hun eigen traditionele muziek. Op het enorme kerkorgel wordt nog muziek van Brückner gespeeld. Onder de indruk verlaat ik om 23.00 uur de kathedraal en ga terug naar mijn kamer boven het fruitwinkeltje, midden in het centrum.
Als ik wakker word en me ga douchen, zie ik dat het Italiaanse stel dat in de kamer naast mij logeerde, vertrokken is. Als de señora om 9.00 uur verschijnt boek ik ook nog voor zondag op voorwaarde dat ik van kamer kan wisselen. Dat kan gelukkig want die kamer heeft tenminste een écht raam aan de straatkant, een bank om op te zitten en een kleine TV. (die ik niet nodig heb) Ik verhuis mijn spullen en ga in een bar ontbijten met koffie en churros (gedraaide staafjes van een soort oliebollendeeg met poedersuiker - erg lekker!) De zon schijnt intussen en dat is een verademing na bijna een week slecht weer. Bij een terras ontmoet ik een Nederlands echtpaar dat de Camino Francés liep en de man geeft aan genoeg te hebben van de commercie op de Camino. Hij houdt het verder voor gezien. Ik besluit om vandaag te proberen om een gratis maaltijd te krijgen in de Parador ´Los Reyes Katolicos´. Een Spaanse koningin heeft die traditie ooit ingesteld voor de pelgrims toen het Parador nog een pelgrimshospitaal was. Nu wordt de traditie in stand gehouden door per dag maximaal 10 pelgrims een maaltijd aan te bieden. Ik meld me om 11.45 bij de garage van de Parador samen met een Portugees stel dat de Camino Portugés gelopen heeft. Met een briefje moeten we ons bij de hoofdingang melden en worden vervolgens via de prachtige patios naar beneden geleid in de kelder, waar een ´comedor de peregrinos´ is. In de enorme ondergrondse keuken krijgen we een plateau met 3 gangen; soep met schelpjes en linzen, lomo met groenten en tortilla, rode wijn en pruimen of een banaan als postre. Het is meer dan genoeg en het smaakt goed! Het voelt toch heel bijzonder om even een onderdeel van deze traditie te mogen zijn en na de maaltijd ga ik in de bar van de Parador nog koffie drinken tussen hele sjieke mensen. Aan een tafeltje ontwaar ik drie hoge prelaten van de kathedraal in hun soutane met een paarse band om en een groot kruis aan een ketting op hun borst. Ze hebben een goede fles wijn op tafel staan en keuvelen gezellig tussen de rijkste mensen van Spanje die hier (kunnen) logeren. Aan hun weldoorvoede figuren en hun dubbele kinnen (sorry, ik zie zo´n dingen) kun je zien dat de crisis in Spanje aan hen voorbijgaat. Ze hoeven zich geen zorgen te maken over hun baan, zoals zoveel Spanjaarden op dit moment, dragen geen verantwoordelijkheid voor vrouw en kinderen en hebben hun hele leven gratis kleding, kost en inwoning. Het enige dat ze hoeven te doen is mensen de hemel te beloven (zoals met de volle aflaat die de gelovige pelgrim ´verdient´ met zijn Camino naar de apostel) en zelfs dat is geen garantie want als het niet lukt, ben je het zelf schuld! Had je maar beter naar hen moeten luisteren. Maar dit terzijde. Als ik weer buiten sta is het zonovergoten plein gevuld met een kleurrijke massa die zingt, danst, huilt en lacht in het aangezicht van Jacobus de Meerdere die hoog in de toren troont. Er is ´verdiende´ pijn, gedeelde vreugde en een verbroedering die ik nergens anders zo ben tegengekomen als op deze weg en daarom was ik er ook weer. Voor de laatste keer, want Santiago is heel erg duidelijk een zeer succevol marketingproduct geworden waar het land én de kerk miljoenen aan verdienen. Dat mag van mij, maar ik hoef er dan geen deel meer van uit te maken.
´s Middags is Santiago een heksenketel, het mooie weer is daar natuurlijk ook debet aan. Je moet een programma bedenken om niet onder te gaan in deze chaos. Ik bezoek de grote kerk van San Martin, waar ik als pelgrim voor 1.50 euro binnen mag. De kerk en het bijbehorende groot Seminario zijn nu een museum. Ik verbaas me weer over de enorme gouden Barokke retabels. Het kon niet op en overal zweven engelen. Er is een interessante afdeling waar je kunt zien hoe bedreven de monniken al waren in de boekdrukkunst en het boekbinden en er is nog een complete apotheek met kruiden die men in de middeleeuwen gebruikte om zieke pelgrims op te knappen. Ook vind ik er drie reliquien van Santiago met o.a. een opgedroogde druppel bloed van de heilige. We weten dat hij waarschijnlijk in Jeruzalem onthoofd is door de Romeinen en pas 800 jaar later door Pelayo is gevonden in Gallicië. Waar ze die druppel bloed vandaan hebben getoverd blijft een raadsel. (of een wonder?) Ook zeer indrukwekkend zijn de houten koorbanken met, in reliëf, afbeeldingen van heel veel heiligen. Ik tel er meer dan twintig die heilig zijn verklaard omdat ze op een of andere gruwelijke manier zijn afgeslacht. Het zo bewonderde martelaarschap om de hemel te verdienen is geen uitvinding van de moslims, onze christelijke cultuur is er vergeven van. Na een glas wijn om even te recapituleren bezoek ik nog een heel mooi modern museum in het centrum. De collectie is een gedurfde combinatie van klassieke- en hedendaagse kunst met prachtige sculpturen en ik zie er ook nog werk van Picasso en Salvador Dali. Dat was genoeg cultuur voor vandaag en ik ga even rusten om later (om 20.00 uur) naar mijn afspraak met Manolo Rodriguez en zijn vrouw te gaan.
Domingo, la ultima dia en Santiago. Het zit er bijna weer op. Morgenvroeg (14 juni) vlieg ik vanaf vliegveld Lavacolla (via Madrid) terug naar huis. Vandaag nog wat rondkijken en een beetje terugdenken aan de voorbije tocht vanuit Salamanca, alweer een maand geleden.
Nog even over mijn ervaring van gisteravond: Om 20.00 uur was ik zoals afgesproken in de bar waar ze die heerlijke witte wijn uit de Bierzo-regio serveren. Even later komt Tita (de vrouw van Manolo Rodriguez) ook binnen en drinkt een glas mee. Manolo arriveert wat later en het blijkt dat we de stad verlaten en ergens iets zullen gaan eten. Als hij hoort dat ik wel het museum en de kerk van San Martin heb bezocht, maar niet in het claustro kon komen, neemt hij me mee ernaartoe en regelt met de portier dat ik erin mag. Het claustro is een onderdeel van de abdij van de Benedictijnen die er resideerden en is indrukwekkend en robuust gebouwd. Ik ben er net als de ondergaande zon er een mooi licht overheen legt, prachtig!
Manolo werkt voor de Xunta van Gallicië op het departement van cultuur en heeft in dit gebouw 6 jaar gewerkt, zodoende. Hij schreef een complete encyclopedie over de historie van de Camino en weet werkelijk alles van deze invloedrijke mythologie.
We verlaten in zijn auto de stad, pikken aan de rand van de stad nog een stel op; Paco (vriend en collega) met zijn vrouw Suzana en rijden vervolgens naar Os Piso, een gehucht waar in de bossen een ongelooflijk etablissement staat. Het lijkt wel een tafereel uit een schilderij van Jeroen Bosch. Gebouwtjes met gestapelde schoorstenen en kelders eronder. Buiten staat een groot beeld van een Druïde en Manolo vertelt dat de baas dit zelf maakte. Paco noemt het de plaats van Asterix en Obelix. We zitten op banken aan ruwe houten tafels en bestek is er niet, je eet gewoon met je handen en drinkt wijn uit een kom. In het licht, dat af en toe bijna uitvalt zie ik steeds meer mensen binnenkomen. Manolo bestelt allerlei lekkernijen en er worden verschillende schalen met diverse tapas en flessen wijn op tafel gezet. Ze doen hun best om langzaam te praten zodat ik aan het gesprek kan deelnemen en Paco spreekt redelijk Engels, zodat hij als tolk kan optreden als mijn Spaans ontoereikend is. Het zijn zeer hartelijke mensen die me een onvergetelijke avond bezorgen. Op mijn tochten ga ik bewust te voet om zo dicht mogelijk bij het landschap te blijven en ik probeer ook zo dicht mogelijk bij de mensen van de streek te komen. Dankzij Philip, die me introduceerde bij Manolo en Tita, is dit volledig geslaagd en ik bedank hen alle vier ervoor dat ik zó dichtbij mocht komen.
Als we om 24.30 uur willen vertrekken komt de baas in een wit gewaad met een gaïta (doedelzak) en twee compañeros met trommels binnen en speelt Keltische muziek voor de aanwezigen. In een aangrenzende ruimte is het dan nog stampvol met gasten die nog zitten te eten. Uiteraard mag ik niets betalen en Manolo zet me af in het centrum van Santiago, vlak bij mijn slaapplaats. Ik ben nog een uur wakker om dit feestje te verwerken...
Als ik zondagmorgen, wat later dan normaal, opsta tref ik in mijn ´oude´ kamertje een Italiaan aan die vandaag naar Fatima (Portugal) reist om vandaar naar Italië terug te vliegen. Manolo heeft me gisteren een oude bar ´Jacobeo´ geadviseerd om churros te gaan eten als desayuno. Helaas zijn die er op zondag niet te krijgen, dat valt tegen. Als ik na een tweede vergeefse poging het centrum verlaat, kom ik in een kleine bar terecht waar vooral Braziliaaanse peregrinos zich treffen. Deze kroegbaas is graag bereid om voor mij churros te bakken (ze worden warm gemaakt in een friture) en zo krijg ik toch nog mijn zin. gewoon even doorzetten! Om 12.00 uur is er in de Rua do Vilar (waar ik woon) een concert met een ´banda´ die paso-dobles speelt. Het publiek bestaat voornamelijk uit plaatselijke bewoners die duidelijk genieten van de opgewekte muziek. Ook krijg ik nog een telefoontje van mijn zoon Dimitri die wil weten hoe ik het er vanaf heb gebracht.
De middag benut ik om in de Romaanse Iglesia San Fiz de Solovio (13e eeuw) een expositie te bezoeken van jonge Chinese kunstenaars. Ze gaan stevig de confrontatie aan met het consumentisme en de overbevolking van de wereld. Na het Japanse koor in de kathedraal is er hier ook interesse in hedendaags Chinese kunst, opmerkelijk! Om mijn cultureel programma af te ronden ga ik naar het ´Centro Galego de Arte Contemporána´, waar tot mijn verbazing een hele verdieping is gewijd aan het werk van de Nederlandse kunstenaar Bas-Jan Ader (1942) die als uiterste consequentie van zijn project ´In search of the Miraculous´ in 1975 met een klein bootje de oceaan op voer om te ervaren hoe de zee met hem om zou gaan. Het gevolg lag voor de hand; hij verdween voorgoed en het was een vissersboot uit La Coruña (niet ver hier vandaan) die het wrak van zijn (leeg) bootje vond. Een Nederlandse journalist schreef destijds: ´Hij heeft misschien ontdekt dat de wereld tóch plat is en is er gewoon vanaf gevallen´. Dat brengt me terug bij het uitgangspunt voor mijn tocht van Sevilla tot Finistera; een oude Romeinse Via die (voor hen) tot aan het einde van de wereld liep waar de zon verdween in de onderwereld, een gedachte die ook de oude Egyptenaren al hadden...
Mijn laatste foto is een opname van het frontreliëf van de Capilla ´Das Ánima´, waarvan de beroemde 18e eeuwse polychrome retabels momenteel gerestaureerd worden. Het is weer het indringende beeld van zielen in het vagevuur die hopen op het verkorten of zelfs kwijtschelden van hun straf. Een gedachte die voor de Middeleeuwse mens, die maar kort te leven had, van groot belang was en die daar graag een aflaat voor wilde verdienen door naar Santiago de Compostela te lopen of er gewoon maar een te kopen van de kerk...
Voor mij zit de Via de la Plata erop. Een twee-delige route van het uiterste zuiden naar het uiterste noord-westen van Spanje. De zwaarte van het landschap en de langere afstanden dan ik gewend was, waren een prijs die ik graag betaalde voor de rust en de mogelijkheid tot reflexie op deze Camino. De berichten die me bereikten over de Camino Francés, waren niet erg hoopgevend voor toekomstige peregrinos die inzicht en ´ruimte´ zoeken.
Zelf heb ik weer veel mooie en interessante mensen ontmoet die mijn tocht mede inhoud gaven en waarvan ik zeker nog wel eens wat zal vernemen. Het dagelijkse telefoontje met Thea, die mij moreel ondersteunde, was van groot belang en ook was ik blij met de leuke reacties in mijn dagboek, dat door mijn broer Theo op mijn website geplaatst was. Dank ook aan Roger en Jo, wandelvrienden die mijn transfer naar- en van Brussel regelden. Tegen iedereen, die op een of andere manier bij mijn avontuur betrokken wilde zijn, zeg ik tot slot:
MUCHAS GRACIAS!
Santiago de Compostela - Zondag 13 juni 2010
Jos Solberg.