Na een onrustige nacht (twee hardnekkige snurkers) ben ik al vroeg uit de veren in albergue San José. Gisteravond heb ik nog gesproken met de Duitse Karin uit Hamburg die in Pamplona gestart is met gelijk een hele week regen en die, zoals veel andere pelgrims nu de stilte opzoekt van de Camino Finistera. Toen ik in 2004 met de bus vanuit Santiago naar Finistera ging was het een stralende dag. Nu ik de tijd heb om het lopend te doen, wordt ik afgeknepen door de weergoden want het regent constant. Als ik vertrek is het nog motregen, maar na A Pena heb ik mijn poncho hard nodig. Het giet en het heeft geen zin om ergens te blijven zitten en de dorpen lijken uitgestorven. Drijfnat bereik ik na 20 km. Maroñas waar gelukkig een bar is. Ik drink er koffie en de kroegbaas is blijkbaar gewend aan natte pelgrims want hij heeft een bord aan de muur hangen met de tekst; ´no descalzo´- ´verboden de schoenen uit te doen´. De bar ligt aan de carretera naast een bushalte. Ik houd het voor gezien en neem de eerstvolgende bus die me 10 km. verder afzet, waarna ik nog 3 km. binnendoor loop naar het afgelegen dorpje Olveiroa. Hier is een piepkleine albergue en als ik denk aan de snurkers van de laatste nacht, ga ik op zoek in het dorp en vind er de casa rural ´As Pias´ waar ik (wat minder goedkoop) een kamer boek. Hier kan ik op mijn gemak alles drogen, lekker douchen en mijn spullen reorganiseren. Ik ontmoet er drie Engelse vrouwen en een man die nog door willen lopen naar Cee, mijn bestemming voor morgen. Het zijn aardige mensen die elk jaar een stuk van de Camino doen en dit jaar zijn ze in Palas de Rey gestart. Als ik gedroogd en opgeknapt het dorpje bezichtig blijkt het een pittoresk gehucht te zijn met veel horreos, een klein kerkje en een heel apart kerkhof ernaast. De albergue is snel vol en ik ontmoet er een Duitse vrouw met twee grote honden die de Camino del Norte heeft gedaan vanuit Bilbao. De honden hebben de tocht goed doorstaan, het is alleen niet eenvoudig om met deze dieren onderdak te vinden en in een bus nemen ze hier absoluut geen honden mee. Ze zal met de honden terug moeten lopen naar Santiago. In de buurt van de refugio is een bar ´Peregrino´, zo´n kroegje dat in Nederland onmiddelijk gesloten zou worden omdat het aan geen enkel horeca-reglement voldoet. Ook hier hangt een bord aan de muur met de tekst. ´in esta etablecimient existen hojas de reclamaciones a dispocion de los usarios´, wat zoveel wil zeggen als: als je een klacht hebt, zijn er in dit café formulieren die je daartoe kunt invullen´. Ik heb geen idee wie de klacht zou moeten behandelen en ben er ook niet gerust op dat je klantgericht geholpen zult worden. Ik neem hierna de tijd voor een siësta om mijn verstoorde nachtrust in te halen en vanavond is er in voornoemde bar een ´menu del dia´ te krijgen. Het is het bekende riedeltje met primeros, secundos en postres als overal op de camino en meestal probeer ik eraan te ontkomen door maar één ´plato´ te bestellen. Ze kijken je dan een beetje vreemd aan maar het kan wel en de wijn maakt veel goed. ´s Avonds ontmoet ik in de bar de Spanjaard Manu, een pescador (visser) die met zijn hond ´Lobo´ (wolf) onderweg is vanuit zijn woonplaats Barcelona en ook zie ik ´Santiago´ uit Bilbao terug die met een andere Spanjaard Paco spullen koopt om zelf te gaan koken in de albergue. Twee verlate Duitse vrouwen komen drijfnat binnen en vragen of er in het dorp ook een hotel is, maar helaas... De jonge bardame heeft het erg druk met al die hongerige pelgrims en de zaak dankt er duidelijk zijn bestaan aan. Na een laatste glas wijn in mijn rustige casa rural ga ik op tijd slapen en hoop maar dat het morgen niet zal regenen.
Het heeft de hele nacht door geregend en ik bereid me voor op nog een nat pak vandaag, maar tot mijn verbazing is het droog en bewolkt dus ik waag het er maar op. Na een koffie cortado vertrek ik om 7.00 uur richting Hospital en voorlopig is het asfalt lopen, wat minder prettig is. Na Hospital kun je kiezen voor Muxia of Finistera. Ik kies voor de richting Finistera (30 km.) en bij Das Nevas kan ik de verharde weg verlaten en volg een mooi pad de bergen in. Na een uur kom ik bij de oude Capila da Nosa waar pelgrims buiten een soort altaartje hebben ingericht met schelpen, stenen, foto´s en zelfs twee paar oude wandelschoenen. Ik ontmoet er een Koreaan genaamd Minhu, die de Camino francés liep. Hij is een Zuid-Koreaan en vertelt dat Noord-Koreanen niet mogen reizen of het land verlaten. Dat heb je met dictators. Ze onderdrukken hun eigen volk en tegelijkertijd zijn ze bang dat er iemand verdwijnt naar het buitenland. Het (bange) volk is nl. de basis voor hun perverse macht en hun walgelijke rijkdom. Even later verschijnt er nog een en ze lopen samen verder. Het gaat stug omhoog en tenslotte loop ik hoog over de heuvelrug met een fantastisch uitzicht over het gevariëerde landschap. En het blijft droog! Er volgt een kort uitstapje naar het ´Cruz de Armada´ en een kilometer verder zie ik in de verte de zee. Ik bel even met Thea om te vertellen dat ik na de Via de la Plata vanuit Sevilla en de Via Mozarabe vanuit Salamanca, nu na 1100 km. de Atlantische Oceaan heb bereikt. Het geeft me een enorm gevoel van vreugde en voldoening. het was goed om het in twee delen te doen want ik voel dat het genoeg was. Het is een Japanse vrouw met een onuitspreekbare naam die een foto van me maakt met op de achtergrond de zee en dat is tekenend voor het gegeven dat mensen van over de hele wereld hier naar toe komen om zich op de camino te begeven. Ieder met zijn- of haar eigen beweegredenen maar ook om anderen te ontmoeten en dat geldt ook voor mij. Langs het pad naar beneden staan de resten van verbrande bomen. De sporen van de grote bosbranden verleden jaar. Santiago vertelde dat veel van deze branden worden aangestoken door mensen die er vervolgens eucalyptusbomen willen planten omdat daarmee sneller en meer geld te verdienen valt. Mensen doen werkelijk alles voor geld. Ik daal langzaam af naar Cee en in de eerste bar ontbijt ik (om 12.00 uur) met koffie en tostadas. Een Frans stel, dat ik inmiddels leerde kennen, zit er al en een kwartiertje later komt ook Santiago binnen. Hij wil in Cee overnachten en zijn terugreis naar Bilbao regelen en ik wil nog iets verder tot Corcubión. Net als ik wil vertrekken komt de Duitse vrouw met de twee honden binnen en de barjuffrouw kijkt benauwd. De honden gaan echter rustig onder een tafel liggen. Boven deze bar hangt ook weer een bord (de Spanjaarden zijn er blijkbaar gek op) met de tekst: ´estos son los restos de ultima cliente que se marchó sin pagar´, met ernaast een doodskop en een horloge afgebeeld. Het betekent: ´dit zijn de overblijfselen van de laatste pelgrim die zonder te betalen naar buiten ging´. Spaans gevoel voor humor. Ik post in het dorp nog een kaart die ik al dagen bij me heb en loop nog 2 km. door naar Corcubión waar ik bij pension ´Beiramar´ een kamer krijg met zeezicht! De hospita vindt het maar niks zo´n man alleen onderweg en vraagt me om haar mijn vuile was te geven. Ook zal ze voor vanavond een thermoskan warme melk klaarzetten zodat ik me een kop koffie kan maken. Heerlijk zo´n vrouw die voor je wil zorgen. ´s Middags ga ik Corcubión verkennen en in de haven zijn vissers bezig zout te laden en varen daarna zeewaarts. Op een bord langs de weg zie ik dat ik aan de ´Costa da morte´ ben aangekomen, de kust van de dood, dat erop wijst dat hier in het verleden veel schepen vergaan zijn. Ik loop terug naar het centrum van Cee on sigaren te kopen en in de ´estanco´ vraagt de verkoopster waar ik de Camino begonnen ben. Als ik vertel dat ik een maand onderweg ben is ze verbaasd en vraagt of ik soms geen werk heb. Als ik haar zeg dat ik ´pensionado´ ben, zegt ze; ´tan joven ¿´(zó jong?) Mijn dag kan natuurlijk niet meer stuk. Terug in het pension ligt mijn was keurig opgevouwen in de badkamer - geweldig! Morgen heb ik de kortste etappe van mijn tocht (15 km.) naar Finistera - ´het einde van de wereld´, waar lang voor mij de Kelten en later de Romeinen dachten dat hier de wereld ophield. Wetenschap en kennis hebben aan deze mythe (en vele andere) een einde gemaakt, maar meer kennis leidt helaas lang niet altijd tot meer inzicht, hetgeen in de huidige wereld pijnlijk zichtbaar is...
Vanmorgen ben ik om 8.00 uur vertrokken, na me nog een kop koffie te hebben gemaakt in pension ´Beiramar´. Ik kan geen afscheid nemen van het vriendelijke en behulpzame paar, want alles is nog in diepe rust. De man liet me gisteren vol trots grote foto´s zien van het orkest waarin hij 40 jaar als saxofonist had gespeeld en wees lachend op de mooie en schaarsgeklede zangeressen van de band. Ook vroeg hij me nog of ik niet afgezet was in het restaurantje dat hij me had geadviseerd. In het stadje wordt de Camino slecht aangeduid en leidt me naar de carretera voor een kilometer sterk stijgend asfalt, een slecht begin. Gelukkig kan ik er dan vanaf en langs een eenzame albergue loop ik het bos in. Dan begint het weer te regenen en heb ik mijn poncho nodig. Ik kom door kleine dorpjes zoals: Vilar, San Roque, Amarela en stop bij een bar in Estorde voor een ontbijtje met koffie en tarta Santiago. Het regent nog steeds als ik door Sardiñeiro kom, maar als ik daarna weer omhoog de bergen in wordt geleid is het droog. Na het gehucht Calcoba is er ineens een prachtig uitzicht op de Oceaan en ik zie in de verte Finistera liggen. (nog 6 km.) Afdalend kom ik aan de zee waar de vloedgolven brullend op me af komen. De laatste 2 km. loop ik over het strand waar ik de Duitse vrouw met haar twee honden tegenkom. In Finistera ligt de albergue in het centrum, maar ik loop bij Hostal Mariquito naar binnen en neem een kamer met douche want ik heb behoefte aan privacy en rust. In de albergue krijg ik later mijn laatste sello (stempel) en een prachtige oorkonde van de Camino de Finistera. Als ik me omdraai zie ik op de rugzak van een vrouw de tekst: ´met wie kan ik mee terug rijden naar Nederland´. Als ik de tekst hardop lees draait de vrouw zich om en ik kijk in het gezicht van Gré, een vrouw uit de Hollandse polder die op 25 februari in mijn atelier overnachtte op weg naar Santiago de Compostela. Dit is echt ongelooflijk! Ze is bijna 4 maanden onderweg geweest (ik kreeg nog een kaart uit Le Puy en Velay) en op dezelfde dag als ik aangekomen aan het einde van de wereld. Daar moet op gedronken worden! Ze gaat een half uur later met de bus terug naar Santiago en als ze niemand vindt voor een lift naar huis, zal ze de trein moeten nemen. Ik neem afscheid van haar en loop naar de Faro, de vuurtoren helemaal aan het einde van de rotsige landtong. Dat is retour nog eens 7 kilometer waardoor ik vandaag toch nog 20 km. loop. Onderweg kom ik in gesprek met Gabrielle, een Amerikaanse (schrijfster) uit Connecticut (USA) die alleen onderweg is geweest op de Camino Francés. Ik loop met haar omhoog tot aan de vuurtoren waarachter een soort ´offerplaats´ is waar pelgrims hun schoenen en andere spullen ritueel verbranden. Het is nevelig en bewolkt, maar dat geeft aan deze plek juist een bijzondere sfeer en ik blijf er enige tijd in gedachten vertoeven. Terugdenkend kan ik zelf nauwelijks bevatten dat ik hier nu sta, na het te voet doorkruisen van Spanje van Sevilla in het zuiden tot het uiterste noord-westen aan de oceaan, met indrukken van zóveel verschillende landschappen, dorpjes en prachtige steden en een grote verscheidenheid aan mensen en talen. Van het ´Gallego´ de spreektaal van Gallicië is geen woord te verstaan. Ik spreek met Gabrielle over de openheid tussen mensen op de Camino en de grote hulpvaardigheid, dingen die straks in het ´normale´ leven niet meer zo vanzelfsprekend zijn omdat mensen altijd op hun hoede zijn om zich vooral niet kwetsbaar op te stellen. Het vasthouden van de attitude die je onderweg ontwikkelt is eigenlijk de grootste opgave van de Camino. Terwijl ik dit zit te schrijven, regent het buiten alweer dat het giet, maar dat deert me niet meer. Ik ben er; Ultreia!
´s Avonds tref ik op een terras Karin de Duitse uit Frankfurt, Santiago en Manu met zijn hond Lobo en we vieren met een drankje onze aankomst in Finistera. Manu is een ´marinero´, een eenvoudige visser, maar hij heeft bijzonder mooie gedachten over het leven, de Camino en het communiceren met andere mensen. De hond en hij zijn onafscheidelijk. Als de hond niet welkom is in een albergue slaapt hij ook buiten en als hij eet, eet de hond ook. Om tien uur is het koud buiten en ik ga terug naar mijn Hostal om te slapen.
Dit was een mooi afscheid van fijne mensen op mijn Camino.
´Finistera es la ultima sonrisa del caos del hombre
asomandose al infinitivo´...