Maria heeft ons vanmorgen een ontbijt gemaakt met tostadas (geroosterd brood) en café cortado. Het is het eerste echte ontbijt voor mij op de Camino en we nemen er ruim de tijd voor. Na Maria bedankt te hebben voor haar gastvrijheid gaan we op pad de gele pijlen volgend het dorp uit. Na enkele kilometers bereiken we het heiligdom La Tuiza hetgeen hier een bedevaartoord is. Het is een gerestaureerd Romaans kerkje met een barokke toren. Daarna gaat het omlaag tot onder in het dal om vervolgens stijl omhoog te klimmen naar de A canda pas op 1260 meter. De stijle rotsige paden lijken soms wel op rivierbeddingen en het vraagt een enorme inspanning om regelmatig omhoog te gaan. Twee Italiaanse vrouwen, die gisteren met de bus aankwamen staan enigszins vertwijfeld te kijken na de eerste stijging. Ik hoop maar dat ze weten waar ze aan beginnen. Tegen Philip die vlak achter me loopt zeg ik dat er 3 grondregels zijn om dit tot een goed einde te brengen: 1 - Niet stoppen. 2 - Trachten je ademhaling te regelen. 3 - Proberen niet na te denken over de reden waarom je dit doet...Het is 3 km. stijgen en het kost ons 2 uur om de pas te bereiken met een prachtig uitzicht rondom. Na een pauze om op adem te komen en vocht bij te zetten, dalen we af in een prachtige vallei tot het gehucht A Canda waar geen mens te zien is. We zijn over de pas in gallicië gekomen en er staan nu regelmatig betonnen paaltjes met de afstand die nog af te leggen is tot Santiago. Helaas zijn de meeste plaatjes er vanaf gehaald door souvenierjagers. Dalend door de velden komt het dorp Villa Vella in zicht waar de beloofde bar een eind naar boven langs de carretera blijkt te liggen, wat we dus maar overslaan. Na wat zompige stukken en langs de kapel ´Virgen de Loreto´ passeren we weiden met koeien met enorme horens, koeien met kalveren, pas geschoren schapen en een nét geboren lam dat door een boerin aan de tepel van het schaap gezet wordt. In het volgende dorp Opereiro is ook weer geen bar te vinden, maar een vrouw die we er naar vragen, haalt twee pakken koekjes en een tablet chocolade uit haar tas en wil dat aan ons geven. Als Philip aangeeft dat het teveel is en dat hij er zich ongemakkelijk bij voelt, wordt ze erg boos en beledigd en ze staat erop dat we alles aannemen. Dan komt er een heel verhaal waarbij ze verteld dat ze niets meer met de kerk te maken wil hebben omdat ze er toevallig getuige van was dat het graf van haar vader geruimd werd zonder dat dit aan haar verteld was en dat ze het lijk van haar vader herkende aan het pak dat hij droeg bij de begrafenis en wat niet vergaan was. De woede zat blijkbaar zó diep dat, toen Philip haar aanbood om in Santiago een kaars voor haar op te steken, ze zei dat we met dat geld beter een varken konden voeren! Tot zover de kerk in Opereiro. Met onze koekjes en de chocolade laten we haar achter in het dorp en gaan even verder naar rechts omhoog naar de carretera waar nu wel een bar is om een glas cervezza te drinken. Als ik daarna nog een kop koffie wil drinken zet de kroegbaas er een fles aquadente naast om in de koffie te doen. Het is een soort eau de vie, erg sterk en lekker maar daarna wat zwaar in de benen. Vanaf hier resten nog 3 km. naar A Gudiña waar we bij Hostal Oscar een bed krijgen en Dearmot terug vinden die al eerder met de fiets is aangekomen. Het was een mooie dag met prachtige ruige natuur maar ik was op het einde wel erg moe omdat de enorme inspanning van de klim naar de A Canda pas de rest van de dag doorwerkte in mijn conditie. (of was het de aquadente?) ´s Avonds eten we in de bar ´peregrino´ en we zijn nog 230 km. verwijderd van Santiago de Compostela.
Het is om 7 uur al licht als ik met Philip vertrek uit A Gudiña. Dearmot fietst vandaag verder op de zuidekijke route via Verín omdat de route door de bergen voor de fietsers erg moeilijk is. We zien hem (hopenlijk) terug in Ourense over 3 dagen. Het is vanmorgen bitterkoud en er waait een felle wind door het dal. De eerste 3 km. gaat het rustig omhoog naar de Alto de Espiño op 1088 meter. Op de hoogteweg die dan volgt zou er een vrij uitzicht naar alle richtingen moeten zijn, ware het niet dat er een dikke nevel hangt. Hoe hoger we komen, hoe minder er te zien is en op 1200 meter lopen we écht in de mist. De bergdorpjes Venda de Espiño en even later Venda Teresa slapen nog en hebben overigens ook weinig te bieden. Overal vervallen en leegstaande huizen. Op een hoogte van 1260 meter lopen we door Bolaño waar nog maar één familie woont (of wat daarvan over is) en die willen hier waarschijnlijk ook begraven worden op het verwaarloosde kerkhofje. De nevel is intussen opgetrokken en het uitzicht is werkelijk schitterend! Stijgend en dalend lopen we midden tussen de bergen met witte dorpjes in de verte tegen de berghellingen en in de dalen. Na nog een sterke stijging over de rotsen komt beneden Campobecerros in zicht. We dalen af over een steil pad met veel losse leisteen en dat is oppassen geblazen. In het dorp kun je overnachten in een refugio en er is ook een bar annex huiskamer, annex winkeltje met een oliekachel in het midden en een opgezette zwijnenkop aan de muur. De oude vrouw die met haar voeten in een deken bij de kachel zit, heeft niets te eten voor ons maar ze wil wel een café con leche maken. Als we die zitten te drinken komt er een kudde (geschoren) schapen door het dorp. Buiten het dorp gaat het dan geleidelijk verder omhoog en we passeren een herder met een kudde geiten en drie honden om ze op te drijven. Langszij zijn er nu naaldbossen afgewisseld met kurkeiken en op de top staat een groot houten kruis op een heuveltje van stenen. (een afgezwakte versie van het Cruz de ferro?) Vanaf nu gaat het alleen nog maar omlaag en beneden komen we in het dorp Eiras uit waar niets te krijgen is. Er is wel een pick-nick plaats voor pelgrims waar je ook je water kunt bijvullen. We nemen hier ruim de tijd om te lunchen en we hebben brood en kaas, de chocolade van de vrouw van gisteren en natuurlijk de dagelijkse naranja. (sinaasappel) Verder omlaag komt tenslotte Laza in zicht en bij de Proteccion Civil krijgen we de sleutel van de Albergue die in soort sportcomplex buiten het dorp is gevestigd. Er zijn 3 kamers voor 8 personen, douches en een keukentje waar je zelf wat kunt klaarmaken om te eten. De centrale zitruimte is erg warm, maar buiten is er plaats genoeg om ergens rustig te zitten. In het dorpje is een bar en een tienda waar we wat boodschappen doen voor morgen en een fles wijn kopen voor vanavond. In de namiddag loopt de albergue vol met Fransen, Duitsers, de 2 Italiaanse vrouwen (ze hebben de pas overleefd), twee dames uit Salzburg en in het dorp spreek ik zelfs met een man uit Urugay die de Camino loopt. Ik ben tot nu toe de enige Nederlander en dat was vorige keren wel anders. Ook Skandinaviërs ontbreken tot nu toe. In de bar eet ik een bocadillo met koffie en ze hebben er Amstel bier! Even voor de cijferaars: De koffie kost 80 cent, een glas rode wijn 60 cent en het Amstel pilsje heb je voor 1 euro! Kom daar in Nederland maar eens voor. Kortom: een lange maar mooie dag (35 km.) in de adembenemende natuur van de Sierra Seca.
Als je ´s morgens in de refugios wat langer blijft liggen heb je de douches voor jezelf omdat de vroege vogels al voor dag en dauw onderweg willen zijn. Overigens zijn dit ook vaak de mensen die permanent alleen de verharde wegen volgen en weinig zien van de prachtige natuur in de bergen waar de Camino, ook vandaag weer, doorheen loopt. Veel pelgrims zijn slechts op het einddoel (de apostel) gericht en tonen weinig interesse in de natuur, de dorpjes en de bevolking onderweg. Vooral de (vele) Duitsers die hier in march-tempo onderweg zijn hebben vaak maar één vraag als je ze tegenkomt: hoeveel kilometer heb jij vandaag gelopen en hoe lang heb je daarover gedaan? Zij hebben dan altijd verder én sneller gelopen, alsof het een wedstrijd is. Maar goed, ook wij gaan op tijd op pad want het is weer een lange etappe met een zeer steile helling van 5 km. over een bergrug. Eerst moet de sleutel van de albergue teruggebracht worden en dan lopen we via de verharde weg naar Soutelo Verde een gehucht dat nog in diepe rust is, gevolgd door een pad van 7 km. naar Tamicelas, waar het gelijk steil omhoog gaat. Philip wil eerst iets eten en blijft achter, terwijl ik doorloop over het rotsige pad omhoog. Het levert, achteromkijkend, prachtige vergezichten op en gelukkig is het een beetje bewolkt, want het zweet breekt me, ook zonder de zon, al stevig uit. Als ik bijna op de top ben passeer ik Peter (een Duitser uit Ingoldstadt) die alleen onderweg is en als we weer horizontaal lopen haalt Philip ons in. Samen komen we aan bij de bar ´Rincón de peregrino´ waar werkelijk alle wanden, pilaren en het plafond zijn bedekt met jacobsschelpen met de namen erop van de pelgrims die hiet in het verleden passeerden. Ook wij moeten onze naam op een schelp zetten die meteen ergens aan de muur wordt gemonteerd. Ik maak de kroegbaas een compliment over de muziek die hij draait: Mark Knofler and the Dire Straits - heel ongewoon voor een bar in Spanje, maar op deze plek heel inspirerend. Er komt zowaar een glimlach tevoorschijn op zijn norse gezicht. Als we Villar de Barrio bereiken zijn we al 20 km. onderweg en na een pauze in de lokale bar lopen we door kleine gehuchtjes als Bovéda, Vilar de Gomareite en Bobadela waar we een merkwaardig ossen-span tegenkomen dat met een kar met houten wielen, piepend en krijsend de berg af komt. We komen er ook nog een man met 4 koeien tegen die ons verteld dat hij in Lugo werkt en in het weekend zijn oude ouders komt helpen door het vee naar de wei of terug naar de stal te drijven. Als hij stilstaat om met ons te praten blijven ook de koeien rustig wachten en als hij weer beweegt, bewegen de koeien ook. Nét huisdieren. Na een lange wandeling komen we aan in Xuqueira de Ambia bij Casa Rural ´Miraval´. Dat is een complete verassing! Het is de voormalige woning van een minister van Franco, wiens zoon piloot was in het Spaanse leger. Beiden zijn dood en er zijn alleen nog maar enkele neven die profiteren van de verhuur van de 7 nagelaten huizen door heel Spanje. Het huis is ingericht als een museum met schilderijen, beelden, snuisterijen van over de hele wereld, wapens en zelfs een compleet harnas, oud zilver, keramiek en porcelein uit China, teveel om op te noemen. Het contrast met de refugio van gisteren kon niet groter zijn. De mevrouw, die het huis beheert, biedt aan om onze was te doen en daar maken we natuurlijk graag gebruik van. Na een pelgrimsmenu in het naastgelegen restaurantje bezichtigen we de Romaanse kerk Santa Maria uit de 12e eeuw en krijgen ongevraagd een rondleiding door de kerk, het claustro en een verlaten pelgrimshospitaal. Na een bezoek aan de tienda in het dorp, maakt Philip kippensoep en brood met kaas als cena. (avondmaal) ´s Avonds drinken we thee in de ´salon´ en een glas wijn in de ´bibliotheek´. Allemaal een beetje decadent voor pelgrims, maar het voelt prima! Cést la vie...
Na een goede nachtrust in de comfortabele bedden van de Casa Rura ´Miraval´ maken we een ontbijtje mat koffie en madeleines en verlaten rond 8 uur ons luxe onderkomen. De stilte buiten wordt slechts opgevuld met vogelgekwetter en het gesjirp van krekels. De eerste 4 kilometers gaan over mooie paden in het overvloedige groen van gallicië. Een klein stukje gaat zelfs over het originele plaveisel van de Via Mozarabe. Na de Rio Arnoya wordt het echter asfalt en dat zal op enkele kleine afbuigingen na, de rest van de dag zo blijven. Dat is erg vermoeiend en slecht voor de voetzolen. Langs de weg liggen vandaag veel dorpjes zoals: A Pousa, Salgueiros en Penelas waar een bar is voor koffie en tostadas. Bij Castellana hebben we er 15 km. opzitten en bij Rebodero is het tijd voor een cervezza-stop. Daarna passeren we een lelijk industriegebied en dan volgen de lange straten met hoogbouw die ons naar het centrum leiden. Het ´Casco Historico´ concentreert zich rond de ´Catedral de Santiago´ uit de 12e eeuw in het hartje van de stad. We vinden onderdak in het oude Franciscanerklooster waar een refugio is en waar we hartelijk worden ontvangen. Bij hoge uitzondering mogen we er twee nachten blijven. (we klagen over pijnlijke voeten en de noodzaak van een rustdag) Na me geïnstalleerd te hebben, ga ik de stad in om een beetje wegwijs te worden in de op- en aflopende straatjes van het oude centrum. De kathedraal is open en er is een dienst gaande. Het is een van de rijkste en mooiste kerken van Gallicië uit de 12e en de 13e eeuw. Het meest bijzonder is het hoofdportaal. het heet ´Pórtico del Paraïso´ (poort van het paradijs) en werd in de 13e eeuw gemaakt met polychrome beelden door meester Mateo die ook het ´Pórtico del Gloria´ maakte in de kathedraal van Santiago. Santiago matamoros ontbreekt natuurlijk niet in zijn legendarische rol in de slag bij Clavijo tegen de Moslims. Om 20.00 uur is het flaneertijd in de stad en de families en stelletjes presenteren zich opgesmukt in de straten en op de plazas. De terrasjes stromen vol en ik sla dit alles gade met een heerlijk glas witte wijn en een insalata russa. Om 22.00 uur ben ik terug bij de refugio want om tien uur gaat het licht uit voor de vermoeide pelgrims. Morgen neem ik een rustdag in Ourense en bezoek de Romaanse brug en de Romeinse Thermen. Avé!
Heerlijk! Liggen blijven tot 8.00 uur en zien/horen hoe de overige pelgrims al hun spullen bij elkaar tapen met behulp van een zaklamp, het geritsel van rugzakken en ritssluitingen. Dan op je gemak opstaan, douchen en in het oude centrum een café zoeken dat al open is voor café con leche en tostadas. Ik ga om 9.00 uur naar het officio touristico en tot mijn vreugde kan ik ter plekke op internet met een Apple computer, het meest moderne dat ik ben tegengekomen in Spanje tot nu toe. Ik werk mijn dagverslagen bij tot vandaag en verwijder de (145) E-mails van mijn online-account. Daarna neem ik de tijd voor een glas vino blanco op een terrasje en om 12.30 uur komen Philip en Dearmot, die boodschappen hebben gedaan, langs en we lunchen gezellig op het terras met huevos fritos en chorizos. In de refugio moeten we opnieuw inschrijven om nog een nacht te blijven en de hospitalero van vandaag doet er een beetje moeilijk over, maar uiteindelijk is het oké. De middag gebruik ik om nogmaals de imposante kathedraal te bezoeken en daarna loop ik naar de Romaanse brug over de Rio Miño. Dat is een half uur lopen en de hitte is bijna ondraaglijk. Ernaast ligt de moderne Millenniumbrug met een indrukwekkend voetpad als een achtbaan eroverheen, je kunt hoog in de lucht naar de andere kant van de brug lopen en het uitzicht is geweldig! Teruglopend naar het centrum eet ik voor het eerst een lekker ijsje, met als gevolg dat mijn dorst nóg groter wordt. Op de Plaza Mayor is het aan de schaduwkant enigszins uit te houden en ik tref er Karin en Peter, Duitsers die ik al vaker ontmoette. In een winkelstraat vind ik een ´tabacco´ waar ik sigaren en postzegels kan kopen en ga dan terug naar de refugio om een douche te nemen en zo wat af te koelen. We besluiten de avond op een terras boven de oude stad met zicht op de ondergaande zon en komen bijna te laat (10.05 uur) aan bij de refugio waar de hospitalero al ongeduldig staat te wachten, want hij wil de deur sluiten en naar huis. Dit is voor mij een van de vervelende kanten van het overnachten in een refugio. Om 10.00 uur gaat de deur dicht, het licht uit en wordt je geacht te gaan slapen. Ik ben dat niet gewend en lig dus nog uren wakker. Morgen loop ik door naar Cea (22 km.) en daar wil ik overnachten in Casa Rural ´Toledo´ zodat ik weer eens zelf kan bepalen hoe laat ik ga slapen. Buenas noches!
Vannacht was het in de dormitorio van de refugio niet te harden door een hardnekkige snurker, waartegen zelfs mijn oordopjes niet bestand waren. Teneinde raad ben ik beneden in de ontvangstruimte op een bank gaan slapen en zelfs dáár was hij te horen. Philip loste het op door naast zijn oordopjes een slaappil te gebruiken. Vanmorgen heb ik op mijn gemak gedouched en ontbeten in de bar tegenover het klooster, Om niet weer urenlang door de industriegebieden rond de stad te moeten lopen, nemen we de eerste bus naar Cañeda het eerste dorpje buiten de stad en van daaruit gaat het direct stijl omhoog gedurende 2,5 km. naar de Pas San Damián. Dit is de laatste pas die te nemen is voor Santiago. Het is gelukkig wat bewolkt zodat het, rustig stijgend, te doen is. Op de top volgen we de gele pijlen door het dorpje Castro de Beiro en na zo,n 10 km. volgt Liñares waar uit een fuente (bron) boven een bassin met goudvissen, helder en smakelijk drinkwater tevoorschijn komt. Hierna volgt een eenzaam, maar bijzonder mooi wandelpad tussen varens en metershoge gele bremstruiken, omzoomd met kilometerslange muurtjes van gestapelde stenen. Het moet een enorm werk geweest zijn om al deze muurtjes (zonder cement) te bouwen ok de paden en de percelen af te bakenen. Na een paar kilometer prachtige natuur die werkt als ´beaum pour les yeux´ (balsem voor de ogen) komen we vlak voor Mandrás aan een oude Romaanse boogbrug, een juweel in het landschap. In Madrás vinden we een bar en als we bij de koffie om een bocadilla vragen, moet de señora naar Cea bellen en na 10 minuten komt de bestelauto van de panaderia langs om 2 broden af te leveren. Cea is bekend om zijn bijzonder lekker brood! Buiten het dorp lopen we later door de bossen op het originele plaveisel van de Via Mozarabe, een eeuwenoud pad naar Santiago en Finistera en bereiken vervolgens het dorp Pulledo dat niet meer dan een kruispunt is, In het dorpje Casasnovas (nieuwe huizen) dat bestaat uit zeer oude bouwsels en ruïnes én een bar drnken we een cervezza om de ergste dorst te lessen en dan is het nog maar 2 km. naar Cea. In Cea staat een rustieke albergue met een Horreo ervoor, maar als ik de snurker van gisteren ontwaar is de keuze niet moeilijk en ik boek een kamer bij Casa Rural ´Toledo´ want vannacht wil ik écht slapen. Ik maak gebruik van het ligbad om te recupereren en eet daarna met Philip en Dearmot in het plaatselijke restaurantje een menu peregrino met salata mixta, ternera (lamsvlees) en een hele fles witte wijn erbij (zo gaat dat hier, ik kan er ook niets aan doen) In een tienda die al open is kopen we een fles vino tinto voor vanavond op ´mijn´ terrasje en nog wat spullen voor morgen onderweg. In het dorp lopen intussen de bewoners en de pelgrims te hoop want er verschijnt een huifkar met 2 ezels ervoor en twee pelgrims uit Salamanca die opzien baren met hun vreemde uitrusting. Ze slapen blijkbaar in de kar en moeten uiteraard de verharde wegen aanhouden. Vervolgens is er enige opschudding want de hospitalero van de albergue heeft de proteccion civil opgeroepen via 112 en die verschijnt met een ambulance om met wat jodium en plijsters de blaren van enkele Spaanse pelgrims te verzorgen. Ze hebben waarschijnlijk weinig anders te doen en zijn blij met deze afleiding. Terug in de casa Rural zijn er inmiddels nog 3 Spaanse fietspelgrims verschenen die er ook een kamer krijgen. We zitten gedrieën tot 10.00 uur op mijn terras en hebben bij een glas wijn en chorizo (worst) interessante discussies over Spanje, de Spanjaarden, hun costumbres (gewoontes) en de flora en fauna op de Camino. Hasta mañana!
Vannacht heb ik heerlijk geslapen (geen snurkers) en ik ben om 7.00 uur, na een bekertje yoghurt met Philip op weg. We kiezen vandaag voor de langste route omdat dit pad na 10 km. uitkomt bij het beroemde Monasterio Oseira. Na een paar kilometer asfalt wandelen we weer over de originele paden van de Via Mozarabe, prachtig maar ook vermoeiend door de grote stenen en de rotsblokken waar je overheen moet. De zon schijnt al weer volop nadat het gisteren aan het einde van de dag dreigde te gaan regenen. Na ruim twee uur stijgen en dalen op de moeilijk begaanbare paden en kilometerslange muurtjes van gestapelde stenen, bereiken we na de dorpjes Silvabua en Pieles het klooster Oseira en we hebben geluk; om 10.00 uur is er een rondleiding, waar we graag gebruik van maken. Het is een afgelegen Cisterciënzer klooster uit de 12e eeuw, diverse keren verwoest en afgebrand, maar steeds weer opgebouwd en uitgebreid om het alsmaar toenemende aantal (honderden) monniken op te vangen en te huisvesten. Nu leven er nog 14 monniken en enkele nonnen voor het huishouden, Je kunt er (in noodgeval) overnachten maar ze staan er niet om te springen. Na de interessante rondleiding door een rap sprekende señorita (ik kreeg gelukkig een Engelse tekst erbij) door de 2 claustros, het scriptorium en een statig trappenhuis bezoeken we ook nog de bijbehorende kerk, het enige gedeelte dat nooit verwoest werd en nog in de originele staat verkeert. Uiteraard met een beeld van de Heilige Jacobus. Intussen is er een bus met touristen verschenen en de leider van de groep komt met een hele stapel credentials aangelopen om er overal een sello (stempel) in te laten zetten. Ze gaan ook lopen (tot Castro Dozón) waar de bus ze dan weer oppikt. Op deze manier komen ze toch over twee dagen in Santiago aan de felbegeerde Compostela. Onze weg vervolgend gaat het direct weer fel omhoog over het stenige pad met een prachtige terugblik op het hele kloostercomplex. We lopen opnieuw door een prachtig natuurgebied met veel brem, maar we komen door het lastige pad, de hitte en het steeds weer dalen en stijgen maar langzaam vooruit. Het eerste dorp Carballiño is weer bijna volledig verlaten, maar in het tweede; Gouxá is zelfs een bar en daar zijn we wel aan toe. We ontmoeten er een Amerikaans echtpaar dat op zijn gemak een paar etappes loopt van Ourense tot Santiago. Ze verbazen zich erover dat er bij de weg- en gemeentewerkers, waar ook mensen met een taakstraf bij zijn, niemand met een geweer staat die de wacht houdt zoals in Amerika. Ik vertel hen dat we in Europa niet zo gek zijn op geweren als in hun land. Na het dorp Vidueiros gaat het langzaam dalwaarts en na 22 km. zijn we eindelijk in Castro Dozón waar de enige refugio intussen vol is. In de plaatselijke bar horen we dat er nog een bus rijdt naar Lalin, dat echter 6 km. buiten de Camino ligt. We besluiten voor die oplossing te kiezen en als de bus aankomt zijn we in 10 minuten bij Hotel Palacio in Lalin. Het is mijn eerste hotel tijdens deze tocht en we kunnen er vanavond eten. Voor het slapen gaan maak ik met Philip nog een ommetje door de stad voor een glas wijn en wat tapas. Morgen gaat het richting Bandeira, de laatste stop voor Santiago, waar we vrijdagavond hopen aan te komen. Deo Volente...
In Lalin zijn we 6 km. verwijderd van de Camino en na een café con leche in de tegenoverliggende bar, nemen we een taxi die ons in Laxe weer op het spoor (gele pijlen) van de Camino zet. Na 2 km. asfalt kunnen we de N525 gelukkig verlaten bij Prado en er volgen mooie holle wegen en paden met hoge varens en kurkeiken langszij. Wat vooral opvalt sinds we in Gallicië zijn is de scherpe geur van de eucalyptusbossen die hier terrein winnen. De bloemenpracht in de bermen is schitterend in dit jaargetijde. Afwisseld stijgend en dalend gaan we onder een enorme spoorbrug door en bij de Rio Deza stoten we op een prachtige Romaanse boogbrug in deze idyllische omgeving en dat terwijl de carretera nooit ver weg is. Stijgend door het bijna verlaten gehucht Ponte komen we aan een wegkruising met de Romaanse Santiagokerk van Taboada die een timpaan heeft met een afbeelding van Santiago Matamoros, uit één steen gekapt. Ervoor staat een Middeleeuws stenen wegkruis zoals we al vaker tegenkwamen, met aan de ene kant de gekruisigde en aan de andere kant een piëta, soms redelijk behouden, vaak erg geërodeerd door de tijd. Op een wegkruising treffen we de huifkar met de twee ezels (die ik al eerder vermelde) weer aan met de twee mannen uit Salamanca die erbij horen. Een van de ezels ligt uitgeteld op een zij en is aan zijn siësta begonnen. Ze moeten op de drukke carretera blijven en dat is voor de ezels niet gemakkelijk. Via Tras Fontao komen we aan de rand van Silleda, een grotere stad, maar gelukkig leidt het pad ons met mooie paden en eucalyptusbomen om de stad heen en komen we alleen in een van de uithoeken met een bar waar we een rustpauze inlassen. Opnieuw volgt nu de originele Via Mozarabe en kilometerslang hebben we mooie natuur totdat we de autobaan moeten oversteken (per brug) en in de verte Bandeira ontwaren. Na nog eens twee uur lopen we de stad in en schrijven ons in bij Hostal Gonzalez, De eigenaar bezit alle hostals (4) in de plaats en heeft dus plaats genoeg. Het eten is er prima en ik maak ook dankbaar gebruik van het ligbad dat bij de kamers hoort. Gisteren heb ik bij een val mijn rechterdijbeen geblesseerd waar ik vandaag toch wel enige last van had bij het dalen en klimmen. In Santiago heb ik twee rustdagen (zaterdag en zondag) zodat ik het vervolg naar Finistera (maandag) wel aan zal kunnen.
De laatste etappe naar Santiago begint om 7.00 uur als ik met Philip zonder ontbijt vertrek uit Hostal Gonzalez in Bandeira, een onooglijk dorp dat werkelijk níets fotogenieks te bieden heeft. Zelfs de kerk is de lelijkste die ik ooit zag in Spanje. Maar ´t was maar voor één nacht. We lopen in dichte nevel de heuvels in en het ziet er naar uit dat die voorlopig niet zal optrekken. Na het eerste gehucht Vilariño lopen we de bossen in en doorkruisen die tot San Martin de Domelas. Hier slaapt iedereen nog, op wat waakhonden na, dus we hopen op meer geluk voor een ontbijtje in Seixo, waar inderdaad een bar blijkt te zijn die al open is. Dan daalt het pad weer tot de Rio Ulla die we via een lange brug oversteken naar Ponte Ulla, een gehucht waar in een huis een Middeleeuws kapiteel is ingemetseld met een reliëf van de legende van de heilige Nicolaas van Bari waarop te zien is hoe de heilige gouden kogels geeft aan drie meisjes die in een bed liggen om hen te redden voor een leven in een bordeel. (?) Ook hier wemelt het van de legendes en mythen. In Outeira, een uurtje later, staat een prachtige Romaanse kapel van Santiago uit 1676 met een merkwaardig torentje en iets verder passeren we een splinternieuwe refugio waar net twee Spaanse pelgrims vertrekken, de enige twee die we vandaag zullen tegenkomen. Het verbaast me nog steeds dat je onderweg zo weinig mensen ziet, terwijl op de aankomstplaats de refugios vol zijn. Aan de carretara ligt een café waar we een pauze inlassen en als we daar zitten komt Dearmot aangereden op zijn fiets en stopt er ook. Over de carretera komt ook weer het span met de twee ezels aangeschommeld. Het lijkt me erg gevaarlijk om constant met deze dieren langs de drukke verkeerswegen te moeten lopen want de Spanjaarden rijden hier als gekken. Via Santiaguiña gaat het weer bergop en als ik boven op de eerste heuvel mijn boek wil raadplegen voor de juiste richting merk ik dat ik het heb laten liggen in de bar. Terug dus, want ik heb het nog nodig voor de route naar Finistera en als ik de bar in zicht krijg komt de camarera al naar buiten rennen, zwaaiend met mijn boek. Dat zijn twee kilometer extra vandaag! Bij Rubiál lopen we de eucalyptusbossen in tot Suzana. De scherpe lucht van eucalyptus die er hangt doet me denken aan de vix die we, als kinderen, op onze borst en neus gesmeerd kregen als we verkouden waren. Hier hoef je alleen maar diep in te ademen en je blijft gezond. Deze bomen worden, sinds de Franco-tijd gebruikt voor de papierindustrie, maar ze nemen zoveel water op uit de bodem dat de omringende vegetatie langzaam afsterft. In Marrozos nemen een laatste (broodnodige) pauze want de hitte (de zon is er weer) en de korte maar hevige hellingen eisen hun tol. Als we weer wat opgeknapt zijn gaat het verder bergop naar Santiago dat we bereiken rond 15.00 uur, maar door wegwerkzaamheden aan de nieuwe snelweg worden we nog eens twee kilometer omgeleid voordat we (alweer stijl bergop) het centrum bereiken. Dearmot die op de fiets hier al uren geleden arriveerde heeft onderdak voor drie nachten geregeld in een enorm kloostercomplex buiten het centrum in het Seminario Ménor (kom ik tóch nog eens in het klein semenarie terecht!), waar plaats is voor zo´n 600 pelgrims in diverse zalen en op 3 verdiepingen. Het is er goed geregeld met enkele bedden, genoeg douches en zelfs ´lockers´ voor je spullen. Ook zijn er wasmachines en er is zelfs internet, waar vooral de jongeren voortdurend actief op zijn. Op de Praza do Obradoiro, het grote plein voor de imposante kathedraal, waar een enorme drukte heerst, maken we enkele foto´s van onze aankomst. Na wekenlang lopen, klimmen, zweten én genieten voelt het geweldig om hier weer aan te komen. Het contrast is groot. We hebben vandaag eigenlijk bijna niemand gezien en hier val je in een enorme chaos van geluiden en om je heen hoor je werkeljk alle talen van de wereld. Bij het touristenburo krijg ik de nodige informatie over de route naar Finistera en bij het pelgrimsburo staat een lange rij wachtenden voor hun ´Compostela´. Dat sla ik maar even over, misschien is het morgenvroeg beter te doen, hoewel dan de vroege vogels van de Camino Francés van de Monte de Gozo (de berg van de vreugde) de laatste 5 kilomerter afdalen en dus al heel vroeg in de stad arriveren. Gezien het enorme aantal pelgrims dat vandaag arriveert (en daaar zijn er misschien 50 van de Via de la Plata bij) moet het op de Camino Francés wel érg druk zijn dit (heilig) jaar. Ik ga bij de Parador ´Los Reyes Katolicos´ een glas wijn drinken, maar ze hebben slim een terras gecreëerd links naast de Parador, zodat ze de pelgrims buiten kunnen houden. Ze geven (traditioneel) elke dag aan 10 pelgrims een gratis maaltijd en Dearmot is vastbesloten een van de gelukkigen te zijn. Om zes uur is er een dienst in de overvolle kathedraal en aan het einde van de dienst wordt de Botafumeira door de kerk gezwaaid. Ik zag het spectakel al eerder in 2004, maar toch maakt het weer indruk op me en ik voel weer iets van de ontroering die ik had bij de eerste aankomst in deze bijzondere stad. ´s Avonds ga ik met Philip en Dearmot een ´menu peregrino´ eten in een van de vele restaurantjes en ontmoet er een Frans stel dat ik onderweg tegenkwam en twee Duitse mannen die me in Ourense de weg naar de albergue vroegen. Terug bij het Seminario Menór praat ik met een Duits meisje dat de Camino Portugése liep en een Italiaans stel waarvan de vrouw ooit de Via Francigena liep van Florence naar Rome, die ik ook nog eens wil afmaken. Ook zijn er twee Engelse meisjes aangekomen die de Camino Francés liepen met sneeuw in de Pyreneeën en vervolgens twee weken regen tot Burgos. Dan hebben wij het beter getroffen met één dag regen onderweg. De albergue sluit hier pas om 24.00 uur maar ik ga toch op tijd slapen na deze mooie, maar vermoeiende dag. Morgen en overmorgen: twee rustdagen in Santiago de Compostela...
Twee dagen vrij in Santiago, lekker uitslapen in de albergue van het Seminario Menór tot 8.00 uur en ontbijten in café Dakar in het centrum waar philip en Dearmot ook opduiken. Het is even wennen aan de consumptieprijzen want de toeristenval staat hier wagenwijd open. Philip moet twee euro extra betalen voor hetzelfde ontbijt als ik heb, omdat hij vergeet erbij te zeggen: desayuno ´complet´. Hij protesteert tevergeefs. Ik bezoek daarna het Romaanse kerkje waar de herder Pelayo woonde toen hij middels een stralende ster naar het graf van de apostel werd geleid. Hij wist gelijk dat het om Jacubus de meerdere ging en de plaatselijke Bisschop (die besefte wat dit kon betekenen voor de streek) bevestigde (zonder DNA test) dat het hier om Sant-Yago ging. Tot zover de legende. Het kerkje heeft in ieder geval een prachtig retabel. Ik zie nog wat bekenden terug van onderweg zoals Peter de Duitser die bleef overnachten in Monasterio Oseira en het koppel uit St. Malo in Bretagne. Voor de Kathedraal op de Praza do Obradoiro is het intussen een drukte van belang en aan de stroom pelgrims komt maar geen einde. Bij een duo straatmuzikanten met viool en gitaar koop ik een CD met Keltische muziek en om 13.00 uur lunch ik met Philip in een klein restaurantje waar de bediening zó snel is dat ik de ´primero´ niet helemaal kan opeten, omdat de ´secundo´ anders al koud is voordat ik eraan begin. Eso es. Dearmot is zeer opgetogen omdat het hem gelukt is om in de Parador een gratis lunch te bemachtigen. In Santiago is drie dagen lang een Middeleeuws feest met kraampjes, klederdrachten, goochelaars en tegen de avond vuurspuwers, acrobaten en ridders te paard. Op de markt komen we kennissen tegen van de Spaanse echtgenote van Philip die ons uitnodigen voor een drankje en vervolgens zien we drie leuke café´s waar alleen Spanjaarden komen en worden we getracteerd op heerlijke wijn uit de Bierzo (een streek die ik op de Camino Francés doorkruiste) en lekkere tapas. Het is erg gezellig en als ze horen dat ik over een week hier terugkeer uit Finistera geven ze aan dat ik hen moet bellen zodat ze me nog wat interessante plaatsen kunnen laten zien. Misschien is dat wel leuk om zo mijn tocht af te sluiten. We zullen zien.
Zondagmorgen is de bewolking verdwenen en het is weer een stralende dag. We ontbijten weer in café Dakar en de camarero herkent Philip van gisteren. Maar alles gaat goed nu en na het desayuno bezoeken we de grote kerk van Franciscus van Assisi waar (natuurlijk) ook een beeld van Jacobus staat. Ook het museum van de kathedraal is een bezoek waard met o.a. een grote bibliotheek waar het originele contract te zien is dat meester Mateo kreeg om de beroemde Portica de la Gloria te maken aan de ingang van de kathedraal. We gaan voor een (dure) kop koffie brutaal bij de Parador Reyes Katolicos naar binnen en zien de ongelooflijke pracht en praal in dit luxe hotel (250 euro per nacht) waar de koning verblijft als hij naar Santiago komt. Om 16.00 uur bezoeken we een interessante fototentoonstelling over de samenhang tussen de drie pelgrimswegen naar Rome, Santiago en Jeruzalem met een bijbehorende film. Om 18.00 uur heeft Dearmot twee kaartjes weten te reserveren voor een speciale excursie in Palacio Gelmirez met een bezoek aan het dak van de kathedraal. We komen o.a. door de zaal waar ik bij mijn aankomst in Santiago in 2006 ´s avonds een Middeleeuws concert bijwoonde met de groep ´Mundi´ en de Romaanse kapitelen met muzikanten en zangers in de prachtige ruimte roepen die herinnering weer bij me op. Als we aansluitend via vele trappen het dak bereiken staan we perplex. Het van twee kanten schuin oplopende dak bestaat uit grote granieten platen die dakpansgewijs over elkaar liggen. Het gewicht moet enorm zijn. We lopen even later echt over de nok van het dak met aan de ene kant vlakbij het grote beeld van de apostel dat van beneden bijna niet te zien is en aan de andere kant de Barokke klokkentorens die je kunt aanraken en er is beeldhouwwerk tot in de toppen. De kathedraal is een mengelmoes van 6 bouwstijlen inclusief de platereske vormen van de Moorse zilversmeden uit de tijd van Al Andaluz en bestaat (in deze vorm) in 2011 al 800 jaar. Een architektonisch meesterwerk! De gids vertelt de annekdote van de klokkenluider die op het dak woonde omdat het te veel tijd vergde om tussen de tijden dat hij de klok moest luiden naar beneden te gaan om andere dingen te doen. Hij had een groentetuintje op het dak, kippen en een varken en toen het varken geslacht moest worden, werden alle klokken geluid, zodat de mensen beneden het krijsen van het dier niet hoorden. Diep onder de indruk van dit bouwwerk staan we weer buiten en vernemen dat het reserveren van kaartjes voor een concert met Keltische muziek via internet mislukt is. Als pleister op de wonde krijgen we wel een échte processie door de straten met Keltische muzikanten voorop en een priester- en nonnenschaar erachteraan. De priesters dragen een lange brandende kaars en ik zie dat een van hen zijn hand zo hoog aan de kaars heeft dat het hete kaarsenvet over zijn vingers loopt. Hij geeft geen krimp. Bewust (pijn) lijden was altijd al populair in het katholicisme. Gevolgd door een grote versierde baar met het tabernakel en een plechtig spelende harmonie met een massa gelovigen erachteraan schuifelt de stoet richting kathedraal, terwijl kanonschoten klinken en vuurwerk wordt afgeschoten. Katholiek Spanje op zijn best en een treffende afsluiting van mijn verblijf in Santiago. Morgenvroeg neem ik de (wandel)draad weer op en vertrek voor de eerste etappe naar Finistera aan het ´einde van de wereld´.